Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fransch soldaat om hen te beschimpen. Een der Franciscanen, een Waal van geboorte, die zich al meer dan eens wankelmoedig had getoond, en dan ook den palm der martelie verloren heeft, meende van zijn landgenoot een gunstiger behandeling te mogen verwachten, en zeide hem in zijne moedertaal: „Ik ben ook een Franschman." Aanstonds trok de soldaat zijn mes, deed hem de afschuwelijkste bedreigingen, en riep uit: „Omdat gij mijn landgenoot zijt, zal ik u ophangen." En tegelijk sneed hij hem met zijn mes in het gezicht.

Niet minder voegden de Geuzen zeiven bij al hunne folteringen den gruwelijksten hoon. Zoo knielden zij spottend voor de eerbiedwaardigste priesters neder en fluisterden, als wilden zij hunne biecht spreken; dan stonden zij op en sloegen met hunne vuisten die achtbare grijsaards in het gelaat, en kenden geen medelijden met hunne zuchten. De heilige Willehad antwoordde bij iederen slag, dien hij in zulke heiligschennis ontving, niets anders dan het hier zoo verheven: Deo gratias! God zij gedankt! En toen een dier schurken veinsde bij hem te biechten en hem vroeg, wat hij wel dacht, van al wat hij nu gehoord had, antwoordde de edelaardige grijsaard: „Ik zal den Heer God voor u bidden."

„Wat!" roept de Geus als een razende opspringend, „zult gij voor mij bidden?" En hij sloeg hem met vuisten en stompte en schopte, zoodat geheel het lichaam gekneusd was.

Dit waren nog slechts tooneelen bij dag, maar wanneer de nacht was neergezonken, dan kwamen er mishandelingen, waaraan geen dieren zelfs zich schuldig zouden maken. In den nacht van Zaterdag op Zondag (2& 29 Juni) kwam de beschonken bende opnieuw in het kerkerhol, thans vergezeld van een dronken Fries, een kapitein, ruw en beestachtig van aard. Hij beval

Nebrlands Heiligen. 5

Sluiten