Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

paapsche bijgeloof moet verzaken, zal ik u beiden vrij laten." Maar de oude vader, die reeds onderweg zijnen zoon en den pastoor voortdurend had aangemoedigd, het geloof tot het einde toe te belijden, wierp dit voorstel met verontwaardiging van zich af, terwijl Jacobus vastberaden verklaarde : ,,Op zulk een voorwaarde wil ik mijn leven niet koopen !"

„Dan moet gij sterven !" snauwde de graaf.

„Neen," hernam de Heilige, „wij zullen niet sterven, maar leven."

„Heb ik dan de macht niet om u te dooden ?" bulderde de woesteling.

„Om het lichaam te dooden, ja —maar de ziel, neen; die zal leven in eeuwigheid." Zoo sprak de heilige Jacobus met den moed, dien een Petrus na zijne bekeering toonde, en als nu Lumey zinspeelde op zijn vroegeren val, antwoordde de boeteling rouwmoedig : „Ik ontken niet, dat ik eenmaal gevallen ben, maar met Gods hulp zal ik bewijzen zoo ernstig van mijne dwalingen teruggekomen te zijn, dat geen pijnen gruwelijk genoeg zullen wezen, om mij de zeker bekende waarheid te doen verzaken."

„Brengt die monniken naar den dievenput," gelastte de booswicht verbitterd, „en laat dien ouden man gaan, waar hij wil."

Omstreeks half negen in den voormiddag kwamen de twee toekomstige martelaren hier aan, en werden door de andere slachtoffers der Geuzen met broederlijke omhelzing begroet.

De gevangenis, waarin nu alle martelaren waren opgesloten, bestond uit drie kerkers, den een boven den anderen ; in den laagsten, den zoogenaamden „dievenput," bevonden zich onze Heiligen en ondervonden er alle afschuwelijkheid, die men kan bedenken. Het was

Sluiten