Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

langs de Schie, dan door de Delftshavensche Schie, naar Delftshaven, en vandaar door de Oude Haven over de Maas naar Den Briel, het hol van het ondier Lumey. Deze was op dagvaarding van Oranje naar Dordrecht vertrokken, en werd in Den Briel vervangen door Jan Van Omal, den afvalligen wreedaard, dien wij reeds bij de Martelaren van Gorcum hebben leeren kennen. De ellendeling zat juist aan den maaltijd, toen Jodocus voor hem werd gebracht. Aanvankelijk poogde hij den jeugdigen monnik door streelende woorden en beloften voor zich te winnen. ,,Ga over tot onze partij," sprak hij, ,,en dan zal ik u vaandrig maken bij onze troepen." Maar toen verleiding niets vermocht, besloot hij hem door geweld te dwingen. Hij wist, dat vleesch voor den Kartuizer verboden spijs is ; „Eet van dit vleesch !" gebood hij hem daarom. — ,,Ik heb bij mijne professie Gode beloofd vleesch te derven, en die belofte zal ik met Gods genade tot den dood toe houden." Nu liet de goddelooze een geroofden miskelk met wijn vullen, en beval : „Drink dan uit dezen kelk!" Het gezicht van dien kelk herinnerde den martelaar aan het kostbaar Bloed des Heeren, door de Geuzen zoo heiligschennend in het slijk vertreden, en verontwaardigd riep hij uit: „Schaemt u, gy honden ; den kelck en is daartoe niet ghemaeckt, dat gy daer uwe vleeschelijcke, ja beestelijcke wellusten mede soudet versaden ; maar hy wordt ghebruyckt om te consacreren het dierbaar Bloet onses Heeren Jesu Christi, hetwelk voor de salicheydt des werelts, voor u ende voor my uyt-gestort is geweest!"

Bij deze woorden werden zij razend; als honden drongen zij op hem aan, dreigden hem met den dood, en lieten hem eindelijk in de gevangenis werpen, wellicht dezelfde, waarin drie weken te voren de heilige Martelaars van Gorcum gezucht hadden. Met neergesla-

Sluiten