Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke gediend hebben, om dit te plegen, altijd konde worden uitgesproken, hetzij die zaken aan den schuldige toebehoorden, hetzij niet.

Dit gaf aanleiding tot groote onbillijkheid, want de rechter kon bij vonnis het gestolen voorwerp desnoods verbeurd verklaren, als zijnde het product, de opbrengst, het voortgesprotene uit het misdrijf.

Evenzoo was verbeurdverklaring mogelijk van het werktuig, waarmede de misdaad was begaan, bijv. het geweer, ofschoon dit wapen het eigendom was van een ander.

Terecht is daarom als algemeene voorwaarde van de verbeurdverklaring gesteld, dat de zaken aan den veroordeelde in eigendom

moeten toebehooren.

Wat „het voorwerp van het misdrijf of de overtreding" is, kan

alleen geschiedkundig worden nagegaan.

Het voorwerp van het misdrijf (corpus delicti) was oudtijds de persoon of zaak, waarop of waarmede het misdrijf was gepleegd (Rauter, Traité du droit criminel, dl. I, § 94).

In dien zin moeten ook hier de woorden „het voorwerp van het misdrijf" worden opgevat, en als zoodanig kunnen verbeurd verklaard worden de goederen, waarvan sprake is in art. 341 Inl. strafwetboek, of de valsche paarlen en andere edelgesteenten, die art. 350 Inl. strfwb. voorwerpen van het misdrijf noemt.

De wet geeft in ieder afzonderlijk geval aan, wanneer eene verbeurdverklaring kan worden uitgesproken en welke goederen aan dien maatregel onderworpen zijn, zoodat de vraag, wat het voorwerp van het voortgesprotene uit het misdrijf, enz., is, van

weinig belang is.

De rechten en bevoegdheden, waarvan de ontzetting kan worden uitgesproken, zijn vermeld in art. 22 der Inlandsche en art. 20 der Europeesche strafwet.

In de laatste wordt het „kiesrecht" niet vermeld.

De nieuwe Nederlandsche strafwet omschrijft die rechten eenigszins anders dan de Indische wet (Zie verder toelichting op art. 22 Inl. strafw.).

Sluiten