Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrijvers over het strafrecht aangevoerd (chauveau et Hélie, Haus, enz).

Het meest algemeen aangenomen gevoelen dier schrijvers, zoo men althans bij zooveel verschil van meening van een aangenomen gevoelen mag spreken, is dan ook, dat de persoonlijke omstandigheden, waarin de hoofddader verkeert, zooals jeugdige leeftijd, bloedverwantschap, herhaling van misdrijf enz., niet ten voor- of nadeele van den medeplichtige in aanmerking komen 1).

De Nederlandsche wet huldigt dit beginsel door in art. 50 te bepalen, dat de persoonlijke omstandigheden, waardoor de strafbaarheid uitgesloten, verminderd of verhoogd wordt, alleen in aanmerking komen bij den dader of medeplichtige, wien zij persoonlijk betreffen.

Een dergelijk voorschrift ontbreekt in de Indische strafwetten.

Ook is art. 28 der Inl. strafwet, evenals het daarmede overeenkomende artikel 60 van den Code Pénal in een ander opzicht af te keuren.

Wel straft dit artikel als medeplichtigen allen, die door gaven enz. de schuldigen tot het plegen van misdrijf aansporen (de zoogenaamde zedelijke daders), doch het zegt geenszins, dat deze personen ook medeplichtigen zijn, al worden ze even zwaar gestraft. Men verkeert dus in twijfel omtrent de ware bedoeling der wet, en weet niet, wie zij eigenlijk als medeplichtigen wil beschouwd hebben.

Blijkbaar nemen de Code en onze Inlandsche strafwet het zoo nauw niet met de benamingen „medeplichtigen", „daders" of „mededaders".

Dit blijkt niet alleen uit artikel 28 Sw. I. zelf, maar uit meer artikelen, o. a. uit artikel 298, tweede alinea, waarin bepaald wordt, dat zij die goederen helen, welke kinderen aan hunne ouders of de man aan zijne vrouw hebben ontvreemd, schuldig zijn aan diefstal.

Nu is toch niet aannemelijk, dat de wetgever in wetenschappelijken zin den heler met den dief zoude verwarren.

Alleen op de straf lette de Code Pénal.

1) Vgl. R. v. J. Semarang 11 April 1903. T. 80, blz. 550. De moeder, die goederen heelde, door haar kind gestolen, beschouwd als medeplichtige, doch vrijgesproken, omdat de rechter het bezit als niet doleus aannam. d.

Str. N. I. 8.

Sluiten