Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechte kan worden vervolgd, doch dat, zoo het kind beneden

de zestien jaren is, de rechter zal moeten onderzoeken of het kind al dan niet met oordeel des onderscheids heeft gehandeld.

Handelde hij zonder oordeel des onderscheids, dan moet hij

worden vrijgesproken.

Pleegde het kind beneden de zestien jaren het misdadig teit met oordeel des onderscheids, dan wordt hij tot eene lichtere straf dan de volwassene veroordeeld.

Vele schrijvers (Ortolan, Blanche) maken ons opmerkzaam op het verschil, dat er bestaat tusschen de zoogenaamde „ïntention criminelle" en het „oordeel des onderscheids".

De kwade trouw, de misdadige wil, kan volgens hen bij het kind bestaan, zonder dat het daarom heeft gehandeld met volkomen begrip van de strafbaarheid zijner daden.

Het besef van den aard, van de strekking der misdaad kan bij het kind ontbreken, al wist het, dat zijne handeling verboden

was 1).

Zonder twijfel is dit juist, doch reeds vroeger is er op gewezen, hoe dit besef evenzeer kan ontbreken bij den volwassen wilde. De bepaling van ons artikel 35 vloeit bovendien met het stelsel der verzachtende omstandigheden samen, hetwelk mede den jeugdigen leeftijd en de bekrompenheid van verstand als redenen van strafvermindering aanneemt.

Over het algemeen mist men dan ook in artikel 35 een goed afgerond, duidelijk beginsel en heeft het weinig nut, daar in lndië geene verbeterhuizen bestaan, en het oordeel des onderscheids ook bij volwassenen kan ontbreken 2).

v. Just. Batavia 5 September 1893 I. W. 1590: De wetenschap van het

kind dat hij, wanneer hij stal, straf kon krijgen, is niet voldoende om oordeel des onderscheids aan te nemen. Wanneer de rechter door de houding van het kind ter terechtzitting en zijne antwoorden aldaar de overtuiging krijgt, dat hij zoowel zedelijk als verstandelijk zoo weinig ontwikkeld is, dat hij het misdadig Llkter der door hem gepleegde feiten niet begrepen heeft, moet worden aangenomen, dat het kind zonder oordeel des onderscheids heeft gehandeld^ en

Arf 5 'dei-'Overgangsbepalingen houdt in, dat zoolang het in art. 35 Sw I (32 Sw E) bedoelde verbeterhuis niet bestaat, de jeugdige beklaagden, in het in dat artikel bedoelde geval, worden opgenomen in een ander door den Gouverneur-Generaal aan te wijzen geschikt verblijf.

De rechter heeft dus te gelasten de plaatsing in een verbeterhuis, maar aan-

gezien in lndië dergelijke inrichting niet bestaat, zal de GG„ met toepassing gezien m xuuic u & j „iQOt= mnpt treden, hebben

van art. 5, in elk geval het verDiiji, uai ei >«>» ^ ~ -

va

aan te wijzen.

Sluiten