Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijne komst op het grondgebied van Nederlandsch-Indië te bevorderen, of hem eenige steden, sterkten, plaatsen, krijgsposten, havens, magazijnen, tuighuizen, schepen of andere vaartuigen, aan den Lande behoorende, over te leveren of om hem ondersteuning in soldaten, manschappen, geld, levensmiddelen, wapenen of krijgsbehoeften te bezorgen, of om tot den voortgang zijner wapenen tegen Nederlandsch-Indië of tegen de daar dienende land- of zeemacht mede te werken, hetzij door de getrouwheid der officieren, soldaten, matrozen of anderen jegens het wettig gezag aan het wankelen te brengen, hetzij op eenige andere wijze.

Art. 42.

(Sw. Eur. art. 39) (C. P. art. 78) (Ned. Sw. art. 98).

Indien de verstandhouding met hen, die tot eene vijandige natie behooren, zonder een der in het vorig artikel vermelde misdrijven ten doel te hebben, echter ten gevolge heeft het verstrekken van voor de krijgs- of staatsgesteldheid van Nederlandsch-Indië of zijne bondgenooten nadeelige berichten aan den vijand, worden zij, die deze verstandhouding voeren, gestraft met dwangarbeid buiten den ketting van twee tot vijf jaren, onverminderd zwaardere straffen, ingeval de verstrekte berichten het gevolg zijn geweest van een toeleg, die het karakter heeft van verspieding.

Art. 43.

(Sw. Eur. art. 40) (C. P. art. 79).

De straf, bedreigd in de artt. 40 en 41, is dezelfde, onverschillig of de in die artikelen strafbaar gestelde feiten werden gepleegd tegen Nederlandsch-Indië of tegen de bondgenooten, die vereenigd met Nederlandsch-Indië tegen den gemeenschappelijken vijand strijden.

Na met den dood ieder Inlander te hebben bedreigd, die aan eenen oorlog tegen den staat deelneemt, houdt de wet in de volgende artikelen 40, 41, 42 en 43 straf in tegen ieder, onverschillig of hij Inlander of Vreemde Oosterling zij, die met vreemde mogendheden in verstandhouding treedt of aanslagen smeedt tegen Ned-Indië.

Sluiten