Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die uitspraak gaf aanleiding om in een nieuw artikel strafbaar te stellen zoogenaamde voorbereidingshandelingen, zoo tot het plegen van valschheid in muntspeciën, als (zie art. 93a) tot het plegen van valschheid in bankbiljetten, waardoor de bankpapieremissie der Javasche bank beter dan te voren wordt beschermd.

D.

B Namaken van zegels, bankbiljetten, openbare schuldbrieven, van keur- of papierstempels, van den ijk, van poststempels, handels- en soortgelijke merken.

De namaak of vervalsching van zegels was reeds in de vroegste tijden strafbaar.

Oorspronkelijk nam het zegel de plaats in van de handteekening, omdat velen in de middeleeuwen de schrijfkunst niet machtig waren.

De vorsten onderteekenden hunne acten of stukken niet, maar plaatsten daarop of hechtten daaraan hun zegel, afgedrukt in lak.

Dit zegel werd het »rijkszegel" genoemd, waarvoor Lodewijk XII (anno 1498) een afzonderlijken bewaarder aanstelde, onder den naam van > Garde des Sceaux."

Daar het rijkszegel alleen diende tot het zegelen van edicten, privilegiën en opene brieven, moet het wel onderscheiden worden van het thans gebruikelijke zegel op gezegeld papier, postwissels of andere stukken. (W. de Gelder en Houthuijsen, Handleiding voor de toepassing der Ordonnantie op de heffing van het recht van kleinzegel blz. 1; zie ook Blanche ad art. 139 C. P.).

De namaak of vervalsching van dit rijkszegel had echter nooit plaats, omdat niemand er belang bij had.

Om die reden zwijgt de Nederlandsche strafwet dan ook over die valschheid, ofschoon de C. P. dit misdrijf in art. 139 met den dood bedreigt. (Mem. v. Toelichting blz. 259).

Beschouwt men de Ned. strafwet nader, alsdan blijkt, dat die wet in de eerste plaats straft de namaak of de vervalsching van alle van rijkswege uitgegeven zegels, met het oogmerk om die zegels als echt en onvervalscht te gebruiken of door anderen te doen gebruiken (art. 216).

Sluiten