Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zonderling genoeg, verklaren de meeste schrijvers, die valschheid alleen aannemen, wanneer de dader het oogmerk had om anderen te benadeelen, dat officieren van justitie, politieambtenaren enz., die uit overdreven ijver onware feiten in hunne processen verbaal vermelden, zich schuldig maken aan strafbare valschheid, ook indien deze feiten ten voordeele van den beklaagde waren.

Waarom de notaris, in dezelfde omstandigheden verkeerende, geen misdrijf zoude begaan, is dus moeilijk te verklaren.

Op dezelfde gronden kunnen wij ons niet vereenigen met een vonnis van den Raad van Justitie te Batavia (1. IV. 632), waarbij is beslist, dat een besturend ambtenaar, die op de door hem

De notaris, die in zijn akte in strijd met de waarheid had verklaard, dat zekere personen voor hem waren verschenen en zekere verklaringen hadden afgelegd, werd aan dat misdrijf schuldig geacht, onverschillig of hij met die handeling eenige verdere misdadige bedoeling had gehad.

De intention de nuire wordt mede niet noodig geoordeeld in het vonnis van den Raad van Justitie te Soerabaja dd. 26 November 1890 I. W. 1593.

Is alzoo de Indische jurisprudentie niet eenstemmig omtrent het vereischte van „intention de nuire," dat er mogelijkheid van benadeeling (possibilité de nuire) moet zijn, wil de valschheid in de termen der strafwet vallen, wordt algemeen aangenomen. (Zie b. v. de arresten van 8 September 1896, R. i. I. XLVIII biz. 58, van 21 April 1893, R. i. I. LX blz. 256 en van 5 Maart 1890, R. i. I. LXI blz 99).

Laatstgemeld arrest, evenals het vonnis van den Raad van Justitie dd. 26 November 1890 W. 1593, acht dit vereischte reeds aanwezig, wanneer er weliswaar geen nadeel van materieelen aard te vreezen is, doch belangen van zedelijken of maatschappelijken aard worden in gevaar gebracht, b. v. wanneer de controle van den staat op het geldelijk beheer zijner ambtenaren wordt belet.

De Raad van Justitie te Batavia daarentegen noemde in zijn vonnis van 14 Februari 1890, R. i. I. LXI blz. 97 deze leer „vaag." K.

Het oogmerk om door de verkorting der waarheid nadeel toe te brengen werd door het H. G. Hof bij zijn arrest van 1 Augs. 1899, T. 73, blz. 235 gevorderd als element van strafbare valschheid.

Omdat niet gebleken was van dat oogmerk, werd geen strafbare valschheid bewezen geacht in een notarieele akte, waarin, volgens de tenlastelegging, de notaris, opzettelijk en in strijd met de waarheid heeft bekend gesteld, dat de comparant hem bekend was en dat zij verleden is in tegenwoordigheid van zekeren instrumenteerenden getuige.

Het H. G. Hof oordeelde aldus in zijn arrest van 9 Juni 1909. T. 92, blz 426.

Het opperste rechtscollege besliste hier, dat volgens den C. P. en dus ook volgens de indische strafwet, de „intention frauduleuse" ef „intention de nuire" is een element van het misdrijf van valschheid in geschrifte.

Waar niet bewezen was, dat de bekl. bij het plegen der valschheid het opzet had om iemand, wien ook, te benadeelen, kan geen schuldigverklaring aan dit misdrijf worden uitgesproken.

Zie: Mr. A. L. E. Gastmann. Het criterium van den dolus bij valschheid in

geschrifte. T. 71, blz. 259. D

Sluiten