Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfs van koopmansbrieven, is daarom steeds beschouwd als valschheid in geschriften van koophandel (Blanche T. III § 175, 177), hetzij die geschriften afkomstig waren van vreemde kooplieden, dan wel van ingezetenen (Blanche § 188'.

Het Hof van cassatie besliste dienaangaande, dat de wet geen onderscheid maakt tusschen handelspapier van vreemden en handelspapier van inheemschen oorsprong en veroordeelde om die reden een Franschman, die engelsch bankpapier had nagemaakt, tot de op valschheid in bankpapier gestelde straf.

Met het in de jurisprudentie aangenomen beginsel, dat valschheid in koopmansboeken strafbaar is, omdat die handelsboeken, volgens art. 1882 B. W., 11, 12 en 13 W. v. K. bewijs opleveren, is in strijd een arrest van het H. G. H. van N.-I., waarbij werd aangenomen, dat een vervalsching van het rechtenboek eener firma door een met de opmaking belasten boomklerk, niet strafbaar zoude zijn, op grond dat daardoor geen nadeel kon toegebracht worden. Onzes inziens is deze meening reeds daarom verwerpelijk, omdat de wet in allen gevalle bewijskracht aan koopmansboeken toekent en zoodra die bewijskracht bestaat, is ook de mogelijkheid der benadeeling aanwezig.

De wissel is altijd handelspapier, doch de acceptatie of het orderbiljet 2) alleen ten opzichte van kooplieden (art. 4 W. v. K.).

1) De postwissel is geen handelspapier, doch, evenals de daarop voorkomende quitantie, een authentiek geschrift. Het stellen van een valsche liandteekening voor quitantie op een postwissel is dus valschheid in authentiek geschrift H.G.Hof 18 Juni 1886 R. i. I. XLVII blz 419, Hof Amsterdam 18 Maart 1885 I. W. 1204, N. W. 5244 K

Het H G.Hof kwam terug op de leer dat een valschheid in de kwitantie, voorkomende in dorso van een postwissel, valschheid in authentiek geschrift oplevert bij arr. van 7 Dec. 1904. T. 83, blz. 433 en 30 Nov. 1908, W. 2372. Zij werd beide malen gekwalificeerd als valschheid in een onderhandsch geschrift. D.

2) Het door een tot het teekenen van accepten bevoegden lasthebber van een koopman in een orderbiljet valschelijk bezigen van de clausule: „waarde genoten in koopmanschappen" is valschheid in geschriften van koophandel door verzinning van verbintenissen (Landraad Batavin 29 December 1887 bekrachtigd bij arrest 20 April 1888, R. i I. LI blz. 18 en 56, I. W. 1302).

De firmant, die, krachtens het — te dezen aanzien niet gepubliceerd — vennootschapscontract onbevoegd zijnde om zijn firma door het teekenen en afgeven van accepten te verbinden, bedriegelijk ten name der firma accepten teekent en afgeeft, wetende, dat de nemer niets van de firma te vorderen heeft, pleegt geen valschheid, daar de accepten volkomen rechtsgeldig zijn. (Arr 8 Aug, 1888, I. W. 1311). K.

Mogelijkheid van nadeel tengevolge van valsche boekingen in de handels-

Sluiten