Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan hunne bestemming van acten of titels1), die geen geldswaardig bedrag vertegenwoordigen.

2°. De hoedanigheid van openbaar ambtenaar 2) of door dezen dan wel door de Regeering aangesteld geëmployeerde 3) en ontvangst der stukken in die hoedanigheid.

3°. Opzet.

Den wil om te benadeelen dan wel zich te verrijken vordert de wet niet. Het is genoeg, zoo de wil bestaat om, in strijd met ambtelijke plichten, de toevertrouwde acten te verduisteren of te vernietigen.

De vernietiging van acten heeft bovendien zelden met den wil om zich te verrijken plaats. Ook de Duitsche wetten hebben in het misdrijf van verduistering van stukken niet als element den wil om zich te verrijken opgenomen (Kirchmann, Strafg., S. 205).

Indien men dien wil vordert, zal eene vernietiging gepleegd, ten einde anderen te bevoordeelen, niet strafbaar zijn.

Ook de wil om te benadeelen komt ons voor geen noodzakelijk element van het in artikel 121 bedoelde misdrijf te zijn.

Wel is waar vorderen Chauveau et Helie, benevens een aantal andere schrijvers, dat de dader de zoogenaamde „intention de nuire" hebbe gehad, doch wat zij daaronder verstaan is minder duidelijk.

Dikwerf wordt door die schrijvers ook het woord „frauduleusement" gebezigd, eene uitdrukking welke ten onrechte door velen van gelijken zin wordt geacht als de uitdrukking „intention de nuire."

1) Akten en titels zijn papieren, die eenige rechtsgeldige kracht bezitten. Bekl. moet de bewustheid gehad hebben, dat de door hem vernietigde akte of titel rechtsgeldige kracht bezat (R. v. J. Soerabaja 20 September 1887, W. 1272).

Een dienstbrief van een districtshoofd aan een Landraadgriffier is een akte of titel als bedoeld in dit artikel (R. v. J. Batavia 10 Maart 1891, W. 1451); een particuliere brief niet (Hof 20 April 1894. T. LXII blz. 209). K.

Zie: T. 72. blz. 533, waar Mr. Tobias de vraag behandelt of dienstbrieven en dienstbriefkaarten, door een hulppostcommies aan hunne bestemming onttrokken, vallen onder de acten, genoemd in art. 114 Sw. E. D.

2) Een advocaat en procureur is een openbaar ambtenaar in den zin van dit wetsartikel (R. v. J. Soerabaja 20 September 1887, W. 1272). K.

3) Een door een Landraadgriffier met goedkeuring van den President aangestelde klerk behoort tot de personen, bedoeld in al. 2 van art. 121 (R. v. J. Batavia 10 Maart 1891, W. 1451). K.

Sluiten