Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn ambt vordert of ontvangt. Indien een notaris de landrente ging invorderen of een rechter de personeele belasting, zoude hij niet als knevelaar kunnen veroordeeld worden, omdat deze handelingen in geen verband staan tot zijn ambt 1).

In zooverre moet dus een zeker verband bestaan tusschen het ambt en de onwettige heffing, doch dit verband bestaat bij den gezaghebbenden ambtenaar zoodra zijn gezag zich zoover uitstrekt, dat uit vrees voor dit gezag het onrechtmatig gevorderde wordt betaald.

De knevelaars bij uitnemendheid waren in den Romeinschen tijd de gouverneurs der wingewesten en deze vorderden op alle mogelijke wijzen schattingen en belooningen, die tot hun ambt in geen rechtstreeksch verband stonden, noch op eenige wet steunden.

Om die reden komt het ons voor, dat Inlandsche hoofden, die met eenig gezag zijn bekleed, als knevelaars moeten ge-

1) Evenmin is een Landraaddeurwaarder, die als verpondingsbelasting gelden vordert en ontvangt, schuldig aan knevelarij; geen enkele wettelijke bepaling verklaart hem bevoegd tot de invordering dier belasting (Hof 1 Juli 1891, T. LVII blz. 202).

Ook een dessahoofd, dat eene som gelds als boete vordert en ontvangt, kan hierdoor geen knevelarij plegen, omdat de inning van geldboeten niet behoort tot den werkkring der dessalioofden. (Hol 21 October 1896, T. LXVII blz. 314). Tot het wezen van knevelarij — aldus overweegt dit arrest — behoort, dat de openbare ambtenaar, misbruik makende van het aan zijne betrekking verbonden openbaar gezag, in die qualiteit geld of goed vordert of ontvangt, dat niet (of meer dan) verschuldigd is.

Een lid der commissie van toezicht op den verkoop van pandgoederen (art. 13 Stb. 1880 no. 17 juncto Stb. 1891 no. 167) is geen openbaar ambtenaar of ander persoon, als bedoeld in art. 122 en kan dus geen knevelarij plegen (R. v. J. Soerabaja 13 December 1894, bekr. Hof 9 Januari 1895, W. 1668). K.

Het H.G.Hof besliste bij arr. van 27 Febr. 1900. T. 74, blz. 262, dat de omstandigheid, dat de ambtsverrichting, ter zake waarvan door de in art. 122 Sw. I. genoemde personen onverschuldigde gelden zijn ingevorderd of ontvangen, niet aan hen is opgedragen, de strafbaarheid van het invorderen en ontvangen niet opheft.

Evenzoo R. v. J. Batavia 2 Maart 1907. W. 2311. Daarbij werd beslist, dat voor een schuldigverklaring aan knevelarij niet gevorderd wordt, dat de handelingen, welke de knevelaar aanneemt voor het door hem gevorderde en ontvangen geld te zullen verrichten, tot de uitoefering van zijn ambt behooren. Immers reeds het vorderen en ontvangen van gelden, welke hij wist, dat niet verschuldigd zijn voor belastingen of belooningen enz., door een openbaar ambtenaar in de uitoefening of krachtens zijn ambt, doen dien ambtenaar schuldig zijn aan knevelarij, al heeft hij niet beloofd of aangenomen om iets voor dat gevorderde geld te verrichten. D.

Sluiten