Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hare soort, tot het maximum gebracht bij toepassing op landloopers en bedelaars.

Bij het eerste dezer artikelen, namelijk bij art. 201, wordt de landlooperij tot een misdrijf gestempeld, in strijd, gelijk boven is aangetoond, met de tegenwoordige zienswijze, welke in de landlooperij geen strafbaar J) feit kan bemerken.

Alleen hij evenwel is, volgens art. 202, een landlooper, die geen vaste woonplaats, d. i. werkelijke woonplaats, heeft, geen middelen van bestaan bezit en niet gewoon is eenig beroep uit te oefenen.

Komen deze vereischten te samen, dan bestaat het misdrijf van landlooperij. Ontbreekt een dezer elementen, dan is geen

strafbaar feit aanwezig.

De bedelaar is alleen strafbaar, zegt art. 204, als hij tot werken in staat is en bovendien zich gewoonlijk overgeeft aan bedelarij.

Die gewoonte moet bewezen zijn, hetgeen zeer moeilijk is.

Broodsgebrek kan als overmacht, krachtens art. 33 der Int. strafwet, de strafbaarheid opheffen.

De volgende artikelen noemen eenige omstandigheden op, die de bedelarij verzwaren, zooals bedreigingen, het binnendringen in eene woning en erf, het voorwenden van kwetsuren, \ ormomming enz.

Het geweld, hoe gering ook, doet den bedelaar in art. 208 vallen.

Alle deze bepalingen zijn ondoelmatig, omdat bedreigingen en geweld reeds elders strafbaar zijn gesteld

1) Lees: strafwaardig. D'

2) Het H. G. Hof, arr. van 7 Augs. 1900, bekr. de besch. van den Pres. Landr. Manondjaja van 20 Juli 1900, achtte het voor een schuldigverklaring aan de misdrijven, strafbaar gesteld in de artt. 204 , 205 en 206 Sw. I. noodig, dat bekl. zich gewoonlijk overgeeft aan bedelarij, zijn beroep maakt van het vragen van giften in geld of van op geld waardeerbare hulp of ondersteuning, liet op éénzelfden dag, in twee verschillende woningen, aan aldaar bijeen zijnde personen vragen om geld kan op zichzelf niet aantoonen, dat dit het geval is. T. 75, blz. 230.

In blijken zin werd beslist bij vonnis R. v. J. Soerabaia 26 Augs. 1899. T. 73, blz. 361, waarbij voor de strafbaarheid krachtens art 206 Sw. I. werd gevorderd, dat de aangehoudene is gewoonte-bedelaar.

Zie ook H. G. Hof 17 Juni 1908, bekr. R. v. J. Semarang 26 Mei 1908. T. 92,

blz. 292 D'

Sluiten