Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Ned. strafwet geeft geen nadere uitlegging van het woord „overheid".

Ook het strafwetboek voor den Duitschen Bond drukt zich in § 164 vrij algemeen uit en gebruikt het woord „Behörde," waaronder alle ambtenaren kunnen begrepen zijn.

Reeds dadelijk deed zich dan ook in Duitschland de vraag voor, of de valsche aanklacht straffeloos was, indien zij ingediend werd bij autoriteiten of ambtenaren, wier werkkring geheel vreemd was aan het onderwerp der klacht, bijv. indien aan een tolbeambte een valsche aanklacht wegens vergrijpen tegen de zedelijkheid werd overhandigd.

In zoodanig geval, meende men, kon van geen lasterlijke aanklacht sprake zijn en inderdaad heeft een dergelijke aanklacht volstrekt geen gevolg, daar de tolbeambte de schriftelijke klacht niet mag ontvangen.

In de strafwetgevingen is geen eenstemmigheid over den aan dit misdrijf eigen dolus.

De Duitsche wet vordert alleen, dat de aanklager de valschheid zijner aa iklacht gekend heeft, doch acht het onverschillig met welke broeiing de dader tot de indiening is overgegaan (VON KlR.CHMA.NN S. 109).

Ook de Neï. wet bemoeit zich niet met het meer verwijderd doel van den aanklager en acht het voor zijne strafschuldigheid voldoende, zoo hij opzettelijk, dat is desbewust, handelde.

Een valscha aanklacht met een goed doel blijft dus strafbaar, hetgeen eigenlijk niet behoeft gezegd te worden, daar het plegen van een op zich zelf reeds strafbaar feit nooit door het beoogde doel kan worden gewettigd.

De Fransche schrijvers leiden ons voortdurend van het rechte pad af door te spreken van de „intention de nuire", en zoo noemen Chauveau et Helie dan ook de bedoeling om te benadeelen wederom een bestanddeel van het misdrijf van lasterlijke aanklacht.

Een dergelijke leer voert ten slotte tot de stelling, dat men elk misdrijf mag begaan, mits met een goed doel, bijv. om hulp te verleenen, het algemeen belang te bevorderen of een schuldige te straffen, en ziet over het hoofd, dat de strafwet die meer verwijderde bedoeling slechts als een grond tot strafvermindering kent.

De strafwet voor Inlanders omschrijft de lasterlijke aanklacht aldus:

Sluiten