Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om het gezag te verzwakken zichtbaar blijkt. (Rauter f. I. p.

564; I. W. 550).

Ook het volgende artikel 294 der strafwetten voor Inlanders en Europeanen spreekt in dien zin van het boosaardig aanranden van de verbindende kracht der wetten en van opruiing tot ongehoorzaamheid daaraan en leert ons derhalve, dat de aanranding van het koninklijk gezag, van de bevoegdheid van den Gouverneur-Generaal en van de kracht der wetten hoofdzakelijk aanwezig is, wanneer de bedoeling bestaat, om de gehoorzaamheid aan het gezag van Koning, Wet en Gouverneur-Generaal te ondermijnen.

De laster of beleediging treft volgens de Indische wetten alleen personen en wel den Koning, het koninklijk huis en den persoon van den Landvoogd in Ned.-Indië.

Onder het woord „beleediging" is, blijkens de memorie van

toelichting, hoon en smaad begrepen.

Bij de behandeling van het Drukpersreglement zal dit punt

nader ter sprake komen.

§ 57

Beleedigingen in rechtsgedingen. Beleediging van overledenen.

Men vindt in het strafwetboek voor Europeanen in Ned.-Indië eenige bepalingen aangaande beleedigingen in schrifturen of in pleidooien *).

Deze bepalingen zijn ontleend aan den Code Pénal, doch niet overgenomen in het strafwetboek voor Inlanders, omdat zoo zegt de memorie van toelichting op dat wetboek het niet te voorzien is, dat in de eerste jaren Inlanders als praktizijns bij

de rechtbanken zullen optreden.

Deze grond is minder juist, daar art. 291 der Europeesche

1) De R. v. J. te Padang besliste (T. 78, blz. 505), dat de algemeene bewoordingen van art. 291 Sw. E. den rechter de bevoegdheid verleenen de onderdrukking te bevelen van beleedigende uitdrukkingen, voorkomende in schrifturen ter verdediging van partijen, gesteld door personen, die niet zijn advocaten of procureurs of die dit wèl zijn, maar die niet als zoodanig die geschnften hebben gesteld.

Sluiten