Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met dit woord „injure" werd in het oud-Hollandsch recht elke beleediging van een vrij mensch aangeduid.

Voet omschrijft in zijn Commentarius ad Pandcctas dl. II blz. 987, de injuria als: delictum in contemtum hominis liberi admissum, quo ejus corpus, vel dignitas, vel fama laeditur dolo malo.

Hij geeft aan het woord „injuria" de meest uitgebreide betee-

kenis en begrijpt daaronder elke beleediging, hoe ook toegebracht.

„Variis porro modis injuria infertur, puta, re, verbis, litteris et consensu".

Carpzovius, Verhandeling der lijfstraffelijke misdaden Dl. II blz. 817, neemt het woord „hoon" als de algemeene uitdrukking voor beleediging aan en maakt geen onderscheid tusschen smaad, laster of beleediging.

„Woordelijke hoon" — zegt hij — „wordt genoemd, zoo lasterlijke woorden tegen iemand worden uitgesproken".

Hugo de Groot noemt „lastering:" „misdaad jegens eer", doch laat er op volgen, dat „hoon ook gezeit werd jegens onze eer te geschieden". (Hugo de Groot, Inleidinge, blz. 422).

De oud-Hollandsche rechtsgeleerden waren eveneens gewoon met het woord „injurie" elke beleediging aan te duiden, zonder onderscheid te maken tusschen laster, smaad of hoon.

In de Consultaticn, advijsen en advertissementen van de Rechtsgeleerden in Holland vindt men steeds de uitdrukking „injurië" gebezigd voor elke soort van beleediging, zooals voor het ten laste leggen van een overtreding van de bepalingen omtrent 'slands middelen (Consult. I dl. p. 522), voor beleediging, kerkmeesteren aangedaan (idem p. 516) of beleediging van het Gerecht (idem dl. II p. 502), en zoo meer.

Het begrip van laster en hoon, gelijk de Code Pénal dit aangeeft, was in het oud-Hollandsch recht onbekend (Carpzovius dl. II blz. 853).

Onder „hoon" werd bovendien ook begrepen overspel, vrouwenkragt en meerdere misdrijven, die men thans niet langer daaronder brengt. (hugo de Groot Inl. blz. 419).

De „hoon" kon met woorden of feiten gepleegd worden, en hij, die iemand een misdrijf ten laste legde, maakte zich zoowel schuldig aan hoon, als hij, die iemand voor „zuiplap", „guijt of „woekeraar" uitschold. Men dacht er niet aan, om onder „hoon" alleen te verstaan de ten laste legging van een bepaalde

Sluiten