Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vrouw bekleedt bij de Indische volken een geheel andere plaats dan in het Christelijk huisgezin.

Somwijlen is de vrouw in het oog der Polynesische stammen slechts een zaak en het komt zelfs voor, dat het huwelijk in hun oog geen zwagerschap te weeg brengt.

Bij de Batakkers verbindt het huwelijk den man slechts aan zijne vrouw, niet aan hare maagschap. Vrouwelijke filiatie wordt niet voor bloedverwantschap gerekend (Miller, Batt. wetten blz. 28, 30).

Bovendien was het juist de bedoeling van den Indischen wetgever om in huwelijkszaken en in alle andere onderwerpen, welke het familieleven betreffen, den Inlander en Vreemden Oosterling zijne instellingen te laten behouden, gelijk blijkt uit art. 75 van het Regeeringsreglement, uit art. 7 van het Reglement op de Rechterlijke organisatie, waarbij in strafzaken het hooren van adviseurs is bevolen en uit de bepalingen, houdende toepasselijkverklaring van de Europeesche wetgeving op Vreemde Oosterlingen (St. 1855 No. 79), waarbij juist het familierecht dier lieden is geëerbiedigd.

Ook is het niet duidelijk, hoe men de Europeesche beginselen omtrent bloed- en aanverwantschap en de daarnaar geregelde berekening van graden kan toepassen bij Chineezen of Inlanders, die meer dan eene vrouw mogen huwen en dus aanverwanten kennen, welke ons burgerlijk wetboek verwerpt.

Hoe dit ook zij, een wijziging van art. 298 der Strafwet voor Inlanders zal wel noodig zijn, vooral met het oog op adoptieve ') en natuurlijke kinderen.

In het slot van dit artikel worden alle andere personen, die de gestolen voorwerpen helen of tot hun voordeel aanwenden, schuldig verklaard aan diefstal.

De mededaders, die aan den diefstal, door bloedverwanten begaan, deelnemen en de medeplichtigen, die den bloedverwant behulpzaam zijn bij den diefstal, worden derhalve in het artikel niet genoemd, ten ware zij het gestolen e geheeld of op een andere wijze dit tot hun voordeel hebben aangewend.

De bediende derhalve, die den zoon helpt in het openbre-

1) Aangenomen (adoptieve) kinderen vallen niet in art. 298, volgens Landr. Soekaboemi 2 Mei 1887 W. 1253, en Hof 19 December 1890, T. LVI blz 116; wèl volgens Landr. Loemadjang 5 Augustus. 1890, T. LVI blz 113. K.

Sluiten