Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zins zonderling hetzelfde feit als een op zich zelf staand misdrijf te beschouwen. Art. 344 der Ned. wet onderscheidt echter niet, of de derde, die goederen verduisterde, in overeenstemming met den failliet handelde, hetgeen tengevolge heeft, dat in een dergelijk geval de medeplichtigheid aan bedriegelijke bankbreuk concurreert met het afzonderlijk misdrijf van verduistering door derden van goederen, tot de failliete massa behoorende.

De memorie van toelichting zegt dit dan ook, zonder echter duidelijk op te geven, of bij dien zoogenaamden concursus idealis het afzonderlijk misdrijf wegvalt en plaats maakt voor medeplichtigheid aan bedriegelijke bankbreuk

De Indische wetten houden afzonderlijke bepalingen in aangaande medeplichtigheid aan bedriegelijke bankbreuk.

Het daarop betrekking hebbend artikel der strafwet voor Inlanders luidt als volgt:

Art. 32 2.

(Sw. Eur. art. 321) (C. P. art. 403).

Onverminderd de toepassing der algemeene regelen omtrent de medeplichtigheid, worden medeplichtig aan bedriegelijke bankbreuk verklaard, en met dezelfde straf als zoodanig bankbreukige zelf gestraft zij, die, des bewust, ten behoeve van dezen of ten nadeele van de schuldeischers, hebben medegewerkt om roerende of onroerende goederen geheel of ten deele te verduisteren of aan den boedel te onttrekken, of om verdichte verkoopen, gelduitleeningen of schenkingen te doen plaats hebben; alsmede zij, die, des bewust, verdichte schuldvorderingen ten laste van den gefailleerde hebben verkregen.

Bovenstaand wetsartikel handhaaft in de eerste plaats de algemeene regelen omtrent medeplichtigheid, doch bepaalt ten overvloede, dat als medeplichtige aan bedriegelijke bankbreuk zal beschouwd worden de derde, die, des bewust, heeft medegewerkt ten behoeve van den bankbreukige om goederen aan den boedel te ontrekken.

Die afzonderlijke vermelding was onnoodig, omdat ook volgens algemeene beginselen de derde in zulk een geval reeds medeplichtige is.

Sluiten