Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

indien men die bewering aanneemt, is de bepaling in art. 328« niet gerechtvaardigd, daar het in de meeste gevallen gebleken is onmogelijk te zijn om het bewijste leveren, dat de werkman, toen hij het voorschot vroeg, reeds van plan was bij het werk niet op te komen.

Het feit, dat hij weg blijft of elders gaat werken, levert gewoonlijk bij den Inlander geen voldoenden grond op om het bestaan der kwade trouw van den aanvang af te veronderstellen, en in dien zin hebben de meeste rechtbanken zich hier te lande dan ook verklaard.

§ 65

Stellionaat.

Volgens het Romeinsche recht was onder stellionaat elk bedrog begrepen, waartegen niet bij de wet op andere wijze voorzien was.

„ Accusan tur au tem stellionatus, qui improbius fraudavere, si „crimen aliud non sit, quod objiciatur" (MattheüS de Criminibus 233; Pand. XLVII, XX).

Men leest dan ook in de Pandecten, dat ieder wegens stellionaat kon vervolgd worden, die bedriegelijk (dolo) had gehandeld, wel te verstaan, indien geen ander misdrijf aanwezig was. (Ubicunque igitur titulus criminis deficit, illic stellionatus objiciemus).

De actio de dolo in het burgerlijk recht kwam overeen met de beschuldiging van stellionaat in het strafrecht (MattheüS l.c.).

De uitgebreide zin aan het begrip van stellionaat gegeven maakte, dat daaronder de meest verschillende strafbare feiten werden gerangschikt.

Zoo kon wegens stellionaat in rechten betrokken worden hij, die een zaak, welke reeds verbonden was, verduisterd, vervreemd, verruild of op een andere wijze, met verzwijging der vroegere verbintenis, aan den rechtmatigen schuldeischer onttrokken had. Ook hij, die eens anders zaak in pand gaf, of bedrog pleegde met handelswaren door die te vervalschen, weg te nemen of te verduisteren en in het algemeen elk, die zich aan oplichterij schuldig maakte, liep gevaar, dat een strafrechtelijke actie wegens stellionaat tegen hem werd ingesteld.

De latere strafwetten, die tegen verduistering, bedrog, oplichting

Sluiten