Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelden gebruikelijk is — de regelen van het Mahomedaansche erfrecht worden gevolgd.

Een zeer belangrijke bezitting der bevolking maken de vischvijvers uit.

Ook bij de verdeeling dier vijvers ziet men den algemeenen regel gehuldigd, dat de kinderen voor gelijke deelen opkomen.

De erflater kan niet naar willekeur een zijner kinderen onterven. Indien hij dit deed, zou het onterfde kind, al ware het een dochter, er tegen opkomen (Res. 191).

Geene bevoordeeling heeft plaats. Voor minderjarigen wordt gezorgd en in een desa, waar zeer vele vischvijvers zijn, verklaarde men, dat de zoon en de dochter gelijk opdeelen, ofschoon de gewoonte was ingevoerd om, als er meer kinderen waren, de dochters een kleiner aandeel te geven (Res. 194).

Indien men gevraagd had, of de dochters dan niet op een andere wijze werden schadeloos gesteld, gelijk bij de verdeeling van woonerven plaats heeft, zou men waarschijnlijk een bevestigend antwoord hebben ontvangen.

Bij tegals gelden dezelfde regelen. Zoons en dochters deelen gelijk op en zoo bij minnelijke schikking de oudste zoon het tegalveld alleen verkrijgt, dan moet hij zijn jongere broeders en zusters onderhouden (Res. 121) of bebouwt het veld voor gezamenlijke rekening (Res. 122).

Hiermede kan deze schets van het grond- en erfrecht der Inlanders gevoegelijk worden besloten.

Het doel was slechts om aan te toonen, dat in de ordeloos opeengestapelde antwoorden der bevolking, in de verward door elkander gemengde feiten, een leidende gedachte, een hoofdbeginsel kan opgespoord worden en dat die leidende gedachte zichtbaar wordt, zoodra men het oog vestigt op de werkelijkheid en niet elke desaregeling voor de uiting der volksovertuiging aanziet.

Raadpleegt men die werkelijkheid, vraagt men zich af, welke grondrechten de bevolking inderdaad uitoefent en op welke wijze zij bij de boedelverdeeling handelt, alsdan zal men - naar ons bescheiden oordeel — wel tot de slotsom moeten komen, dat op Java de inlandsche bevolking eigendomsrechten uitoefent op hare bouwgronden, voorzoover die niet gemeenschappelijk door gemeenten aangelegd, aan hoofden of godsdienstige instellingen toegewezen zijn; dat zij die eigendomsrechten, wederom onder

Sluiten