Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op de wijze, zooals de eigenaar dat tot dusverre zelf had gedaan. De vruchtgebruiker mag dus geen nieuwe bestemming aan het goed geven, b.v. nieuwe mijnen ontginnen, heel andere gewassen planten, enz. en moet het goed in denzelfden staat onderhouden (b.v. doode of omgevallen boomen door andere vervangen) teneinde het na afloop van zijn recht in denzelfden staat aan den eigenaar te kunnen teruggeven als hij het van deze ontving. Daar hij dus hetzelfde geniet als voorheen de eigenaar, moet hij ook alle lasten dragen, regelmatig aan den eigendom verbonden (reparatie, belasting, grondrenten, enz). De vruchten kunnen zoowel natuurlijke zijn als zoogen. „burgerlijke" vruchten, d. w. z. regelmatig wederkeerende opbrengsten in geld (rente, huur en pacht).

De vreemde naam van dit recht is ususfructus,

Opstal is het recht, de oppervlakte van eens anders grond te gebruiken om daarop te bouwen of te planten (mits het laatste niet als cultuur te beschouwen is). Men gebruikt den grond dus alleen als steunvlak en dringt daarin niet verder door dan tot houwen of planten onvermijdelijk is.

De vreemde naam van dit recht is superficies.

Erfpacht is het recht, eens anders onroerend goed geheel naar eigen goedvinden te gebruiken en te exploiteeren, mits men de waarde van het goed niet verslimmert ( = vermindert). Was eenige grond tot dusverre niet bestemd of in erfpacht gegeven voor mijnontginning, dan mag die niet plaats hebben omdat de grond daardoor in waarde zou verminderen.

Als erkenning van den eigendom moet de erfpacht den eigenaar eene jaarlijksche pacht voldoen, canon geheeten.

De vreemde naam van dit recht is emphyteusis,

Sluiten