Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1816.

op de belofte van Majoor Fraser niet alleen zich overgaf, maar van wezenlijken dienst was bij de opsporing en overmeestering van de vluchtende hoofden der rebellen ; ten gevolge waarvan, de R.O. Vervolger meent op hem, zoowel als op de andere zes verweerders, te mogen toepassen wat Blackstone in de boven aangehaalde plaats zegt, dat wanneer een persoon gevonden wordt onder rebellen of vijanden " ten gevolge van een welgegronde vrees voor schade (hoeveel te meer wanneer zij daar gebracht worden door de misleiding van hun hoofd', aar zijn leven of persoon, deze vrees of dwang eene verontschuldiging is zelfs voor het zich aansluiten bij rebellen of vijanden, mits hij hen verlaat zoodra hij een veilige gelegenheid heeft."

XLYII. Dat eindelijk de zeven-en-veertigste verweerder, naar het oordeel van den R. O. Yervolger, geenszins schijnt geklassificeerd te kunnen worden onder de rebellen, daar hij naar hen ging alleen op verzoek van den zesden gevangene, toen laatstgenoemde de misdadigheid van den stap dien hij genomen had begon in te zien en trachtte middelen te vinden om zelf terug te keeren en anderen er toe te brengen hetzelfde te doen, voor welk doel de zeven-en-veertigste verweerder (die bij gelegenheid van de samenkomst op de plaats van Daniël Erasmus reeds gewezen had op de schadelijke gevolgen van oppositie tegen het Gouvernement van het land en hun zelfs de voorbeelden genoemd had van vroegere dagen) zijne hulp niet wilde weigeren, en daarom, ofschoon hij te Slachters Nek gevonden werd bij de rebellen door den R. O. Yervolger, is hij echter naar zijn oordeel niet schuldig aan een misdadige vereeniging met hen, terwijl het zelfs ook blijkt dat de zeven-en-veertigste verweerder over middelen gedacht had om de komst en samenwerking der Kaffers te beletten, in geval zij onverhoopt kwamen helpen ten gevolge van de zending van den derden gevangene.

De E. O. Yervolger merkt ten slotte op dat bij gelegenheid van het speciaal onderzoek naar de misdaad van elk der gevangenen en verweerders, onderzocht hebbende of en in hoever er iets te zeggen was ter hunner verdediging of verontschuldiging, thans, ten einde zich in dit opzicht te kwijten naar zijn vermogen als Publieke Beschuldiger, slechts eenige opmerkingen wil maken omtrent de algemeene redenen voor verontschuldiging door bij na al de gevangenen en verweerders gepleit, namelijk dat zij gedwongen werden door wijlen Johs. Bezuidenhout, en dat zij dus niet vrijwillig de misdaad gepleegd hebben; op dit punt acht de R. O. Yervolger het zijn plicht op te merken :

1. Dat met betrekking tot de hoofden van deze zamenzwering, namelijk, de eerste, tweede, derde, vierde en vijfde gevangene,

Sluiten