Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reden zij allen terug tot dat zij de Rebellen op eenen berg, genaamd 'de Slagters Nek,' ontdekten, omtrent 3,000 treden voorbij de plaats van Willem Krugel; en na ze tot omtrent 200 treden genaderd te hebben, reed eerst Hendrik Lange op bevel van den Landdrost tweemal n naar de Rebellen, naderhand de Heemraad de Klerk en de Veldcommandant Nel, en eindelijk de Landdrost en Adjunct Landdrost van ditdistrikt persoonlijk, (sommige der Rebellen een Weinig voorwaarts komende om ze te ontmoeten) die onophoudelijk trachtten ze over te halen om zich over te geven. Dat naderhand de Landdrost ook Jacobus Potgieter naar de rebellen met betzelfde doel heeft gezonden, maar elke poging vrachteloos bevonden zijnde, werden zij allen door den Landdrost geordonneerd om vooruit te rukken.

Bat daarop voort gemarcheerd zijnde, riep gezegde Willem 1 rinslo, den getuige toe van den berg, om den Landdrost te verzoeken een weinig geduld te hebben daar zij te samen aan het eraadslagen waren omtrent het afkomen en zich over te geven, 'Tiaar dat de meest en van hen nog zeer bevreesd waren, hetgeen de getuige aan den Landdrost, die dicht bij hem stond mededeelde, yaarop maakten zij halt voor eenige oogenblikken, echter zonder at eenige der Rebellen kwamen, ofschoon het hem toescheen dat zich met dat doel van eikanderen begaven. Zijnde nogmaals bevolen om voorwaarts te komen, deden zij zulks een klein eindje, stonden weder stil, waarop de Veld Commandant Nel, zooals j*e getuige meent, op order van den Landdrost, den berg te voet eklom, daar dezelve te stijl en glibberig was om zulks te paard 8 doen, en bewoog zeven der Rebellen, (alle wier namen de Eptuige niet weet, (maar onder welke hij zich herinnert Willem ruge], ' Grroote ' en ' Kleine ' Willem Prinslo, en Johannes Prins-

0 waren) om met hem af te komen, waarop dertien anderen, de

na den anderen hen sucoesivelijk volgden. Daarna brachten Z'J alle deze personen, uitgenomen b'rans en \ndiies van I) jk, die üd.er het voorwendsel dat zij hunne overjassen gingen halen, 11 ®Qapten, naar den Post, alwaar zij in bewaring werden gezet, en ^enige dagen later (met uitzondering van Joachim Prinslo en

1 f'nen Johannes Botha, die op den 19den te voren ontslagen waren) • ^aarts gezonden, te samen met Hendrik Prinslo die te voren ö hechtenis aan den Post was geweest, ten tijde dat getuige ^ aar met den Landdrost was gekomen, waarop getuige den

genden Vrijdag dien Post met den Landdrost verliet, en den g daarna naar zijne plaats terugkeerde.

JJe volgende vragen werden nu door de Commissie aan den getuige gedaan:—

1.

pi®, gij niet eenige andere Antwoord: Neen. Niet een. o )(7 2? gezien, uitgenomen oot Willem Prinslo en Klop-

1815.

Sluiten