Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1815. van een van welke, getuige zich herinnert, Botha te zija geweest), ~ naar deze Plaats; waarna getuige den Landdrost vergezelde op zijne reis van daar tot nabij zijne (getuiges) Plaats.

De volgende vragen werden nu den getuige door de Commissie gedaan:—

l.

Hoe vele Rebellen, denkt gij, waren op dien tijd te Slachters Nek bijeen vergaderd?

2.

Welke waren de namen van alle diegenen die gij kendet ?

3.

Waren alle deze Rebellen gewapend ?

4.

Zijn die Rebellen niet dikwijls door den Landdrost van dit Distrikt en zijne manschappen verzocht geworden om hunne wapenen neder te werpen ?

5.

Hebben de Rebellen zich niet in eene positie gesteld om weerstand te bieden, en hebben sommigen van hen niet met hunne geweren aangelegd op de manschappen onder bevel van den Landdrost ?

6.

Hebt gij niet een der Rebellen met zijn geweer op u zien aanleggen ?

7.

Bij welk gedeelte van de macht onder het bevel van den Landdrost waart gij geplaatst ?

Antwoord: Wij telden tot twee-en-dertig, die wij zien konden.

Antwoord: Deze waren menschen die ik niet kende. Ik ben nooit in dat gedeelte van het land geweest; de eenige dien ik kende was Thomas Dreijer, wien ik somtijds in zijne jeugd heb gezien.

Antwoord: Ja; allen die ik gezien heb.

Antwoord : Ja.

Antwoord : Niet dat ik zulks gezien heb.

Antwoord : Neen, dat heb ik niet gezien.

Antwoord: Ik stond aan den linker vleugel met mijnVeldkornet Fourie.

Sluiten