Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2.

Wienhebt gij bij die menigte voor het hoofd aangezien '?

Antwoord: Ik heb niemand hooren spreken danJohs: Bezuidenhout en Theunis de Klerk; voor het overige waren zij allen op een klomp, maar als er wat gelezen werd, vervoegden zij zig bij Bezuidenhout, zoodat ik denk hij 't hoofd was.

1816.

3.

Hebt gij ook gemerkt dat er eenige waren, die geneigd waren terug te keeren ?

Antwoord: Ja, daar waren er veel die ik hoorde zeggen, dat men nu maar terug moest keeren, maar ik ken dezelven niet, want zij zijn niet van mijne oontrijen.

4.

Hebt gij naderhand niets verder van hen vernomen ?

Antwoord : Toen ik de rivier weder door was, naar Louw Brasmus, is Theunis de Klerk daar ten huize bij mij gekomen, en heeit mij gezegd dat ik naar Majoor Fraser inoest rijden, en denzelven zeggen dat hij zorgen moest dat Hendrik Prinslo den volgenden morgen nog daar was, en dat indien dezelve alsdan daar niet mogt zijn, ik de gevolgen konde afwagten , zeggende dat zulks mij gewaarschuwd werd uit last en order van 't algemeen; waarop ik hem slechts lieb geantwoord dat 't nu donker was en regende; dog op zijn zeggen dat dit er niets toe deed, ben ik, na vooraf

den Yeldcommandant ^Nel bij Yan Aart te hebben afgehaald, inet denzelven naar Majoor Fraser gereden, en heb denzelven het hierbovengemelde ter kennis gebragt; waarop dezelve heeft gezegd, dat hij ^ nog niet voornemens was Prinslo weg te sturen, en dat zij hem ook niet hebben zouden.

Sluiten