Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De werkgevers denken over wettelijke regeling det collectieve arbeidsovereenkomst maar weinig anders dan de arbeiders. Onverschillig, als het worden moet een uitbreiding van de geldende privaat-rechtelijke regeling; en lang niet onverschillig, maar vijandig, als zij, naar hun meening op strijden aangewezen, een verhindering van den strijd door ingrijpen van de overheid in uitzicht zien gesteld. Dat kan niet verwonderen; de posities van beide groepen zijn in dit opzicht vrijwel gelijk.

Maar nog een andere vraag werd door mij opgeworpen, en, hoezeer voor de wettelijke regeling der collectieve arbeidsovereenkomst de meening der naast betrokken groepen door mij van belang wordt geacht, die tweede vraag heeft voor mij nog een veel hoogere beteekenis . maakt de practijk een wettelijke regeling wenschelijk, misschien zelfs noodzakelijk?

Voortbouwende op de vraag van het Bestuur, moest ik die vraag aanvankelijk zoo stellen. Ik neem de vrijheid thans achter de woorden: „wettelijke regeling" deze woorden te plaatsen: ,,of althans staatsbemoeiing."

Op die vraag-thans het antwoord.

De vrede in de bedrijven, de duurzame vrede, is van een geweldige sociaal-economische waarde. De geheele sociaal-economische weerbaarheid van ons volk hangt m de naaste toekomst van dien vrede af; daaruit volgt, dat die vrede, dat de duurzame vrede, een staatsbelang van

de hoogste orde is. , ,

De Staat moet zich dus bemoeien met den vrede in de bedrijven, en dus ook met de collectieve arbeidsovereen-

k°Maar er is nog meer. Zoo goed als in de Middeleeuwen, uit de ontbinding der vroonhoeven, zoovele publiekrechtelijke organisaties, steden en gilden zijn ontstaan, zoo goed ziet onze tijd het eene bedrijf na het andere zich als publiek-rechtelijk lichaam ontwikkelen. En de Staat kan niet nalaten tijdig zijn verhouding tot die nieuwe

Sluiten