Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder gindschen heuvel rust. Men kan het verbranden ook minder aesthetisch vinden, — anderen beweren het tegendeel. Verder kan men het minder passend vinden bij de Christelijke belijdenis. Ook dit laatste is weer een waardeeringsoordeel, dat ons heel natuurlijk voorkomt. Want wij plegen te bidden op het graf van de dierbaren; wij hebben geleerd, in de begrafenis te zien het symbool der verrijzenis: de korrel, die in den grond overgaat tot ontbinding, maar niet sterft, want hij draagt de kiem des levens in zich. Wij hebben geleerd, de begrafenis te beschouwen als de waardigste behandeling van de lichamen, die een tempel zijn geweest des H. Geestes. Maar hoe kwamen de Oude Christenen aan hun waardeeringsoordeel: begraven is beter en minder wreed?

De Semitische volken kenden, zooals wij zagen, het verbranden niet. De Christenen erfden dus van de Joden èn het begraven èn den afkeer tegen de lijkverbranding; en deze erfenis aanvaardden zij te lichter, misschien ook als iets, dat hun meer »Christelijk" scheen, omdat Christus immers zelf begraven was. Ziedaar naar alle waarschijnlijkheid het waarom der voorkeur, die de eerste Christenen van meet af aan betoonden voor de teraardebestelling. Toch is dit waarom niet met volkomen zekerheid vast te stellen. H. Delehaye, Les Origines du culte des Martyrs (Bruxelles 1912), meent zelfs: »il vaut mieux avouer que la raison dernière nous échappe" (bl. 36).

Nog andere beweeggronden kan men aanhalen.

1. De Christenen hadden een afschuw van het verbranden, omdat dit hun met heidensche gebruiken nauw scheen samen te hangen b.v. met den krans in het haar van den doode, de doodenoffers, de reiniging van personen, die bij de verbrandingsplechtigheid tegenwoordig geweest waren enz. Voor het overige bleef men de Romeinsche gebruiken trouw. Evenals de heidenen legde men de begraafplaatsen aan vóór de poorten der stad; men onderwierp zich aan het politietoezicht en de hygiënische kontrole derpontijices, b.v. wat betreft het aanmelden van de sterfgevallen in den tempel van de lijkengodin Libitina voor de registers van den burgerlijken stand, want de priesters hadden de »cognitio circa funeralia". Verder in het aansteken van

Sluiten