Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemaakt tegen de Christenen. Zij meenden, dat niet slechts enkele personen, behoorende tot de onontwikkelde volksklasse, maar dat de Christehen over het algemeen wilden begraven en niet verbrand worden, uit bijgeloovige vrees, anders van de opstanding te worden beroofd. En het was, omdat zij de overlevenden wilden berooven van het troostend bezit der relikwieën en van te bidden en de H. Geheimen te vieren op het graf van den martelaar, dat men de begrafenis verbood, het lijk verbrandde, de assche verstrooide of het lijk ten prooi gaf aan de wilde dieren, meenende aldus radikaal het voorwerp der vrome vereering uit den weg te hebben geruimd J).

Reeds in het Martyrium Polycarpi (uit het midden der IIde eeuw) lezen wij, hoe de Joden den Gouverneur waarschuwen, toch niet het lijk aan de Christenen af te staan, »want anders zullen zij beginnen het te vereeren." De Christenen van Lyon en Vienne beklagen zich in een brief aan de kerken van Azië (Eusebius, Hist. Ecless. VI, i), dat de Heidenen de lijken der martelaren verbrand en de assche in de Rhöne hebben geworpen en verstrooid. De overblijfselen der martelaren van Nicomedië werden opgegraven en in zee geworpen, »opdat men hun geen eer zou bewijzen in hunne graven" [ib. VIII. 6-—7).

Lactantius [Dtv. Instit. V, 11) bespot dan ook den vervolger: »Hij woedt tegen de assche, dat geen begraafplaats meer besta; alsof namelijk de dienaars Gods dit beoogen, dat men tot hun graf komt en alsof zij niet veeleer zelf tot God komen". Ook verhaalt Ammianus Marcellinus (XXII, 11, 10) dat het plebs van Alexancirië, na de vermoording van den bisschop Georgius, van Dracontius en Diodorus de lijken verbrandde en de assche in zee wierp, om te beletten, dat tempels opgericht werden boven hunne sterfelijke resten, evenals de anderen, »die den folterdood hebben doorstaan en thans martelaars worden genoemd."

Vooral dit agitatorisch karakter van het verbranden zal het verzet der Christenen ten gevolge gehad hebben. Van dien tijd af werd het verbranden, dat de heidenen hun met zoo wreede bedoeling aandeden, door de Christenen als heidensch totaal geweerd.

') Vergel. h. Delehaye, Les Origines du culte des Martyrs, bl 47.

1

Sluiten