is toegevoegd aan uw favorieten.

Lijkverbranding of lijkbegraving?

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. Tijden van overgang.

Overziet men de tijden van overgang, die, voor de noordsche landen, de eeuwen van kerstening geweest zijn, dan blijkt tweeërlei: aan den eenen kant het langdurig, men mag wel zeggen taaie vasthouden der Germanen aan het verbranden, dat naast het begraven gewoonte was, — aan den anderen kant de duidelijk uitgesproken wensch der kerk ook hier, om als eenigen vorm van lijkbezorging de ter-aarde-bestelling te doen aanvaarden. Dat het verbranden van het lijk vóór de bijzetting, zoowel als het ter-aarde-bestellen van 't ongerepte stoffelijk overschot, bij de Germanen eveneens in onze streken gewoonte is geweest, daarvoor spreken overtuigend de bewijzen, die tot in den jongsten tijd bij de wetenschappelijke opgravingen aan den dag zijn gekomen. Als doorslaand voorbeeld verwijs ik naar de onderzoekingen in het Klein-Duin te Katwijk-Binnen J), waar een type is aangetroffen van de zoogenaamde »Reihengraber", maar waar te zelfder plaatse brandurnen te voorschijn zijn gebracht. Te midden van grafkuilen, naast en vóór elkander gelegen, vond men urnen met verkoolde beenderresten, waaronder duidelijk menschelijke fragmenten werden geconstateerd. Hetgeen bij de skeletten werd opgediept, deed den tijd van het kerkhof bepalen in de 7de eeuw onzer jaartelling: uit dien zelfden, Merovingischen tijd bleken ook de urnen. Terecht trekt daarom de leider der opgravingen de conclusie: »hoe naast een begraven der dooden ook een verbranding hier moet hebben plaats gehad, een verschijnsel, dat ook elders men heeft waargenomen" 3). Uit de Merovingische en Karolingische perioden is immers overvloedig dat type »reeksgraf" bekend en evenals reeds in vroeger eeuw »Brandgraber" naast »Skelettgraber" werden aangetroffen3),

1) Cfr. Oudheidkundige Mededeelingen van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, I ('s Gravenhage, 1907), 23 vlg.; V ('s Gravenhage, 1911), 68 vlg.

2) o. c. V, p. 72.

3) Fr. Koepp, Die Romer in Deutschland 2 (Bielefeld und Leipzig, 1912), S. 155 sqq.

G. Steinhausf.n, Geschichte der deutschen Kultur, I 1 (Leipzig und Wien, 1913), S. 60—61.