Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

einde der XIXde eeuw, een eeuw van verlichting en vooruitgang, worden wij door Duitschers veroverd; en het volk dat het tot slaven maakt (want de annexatie, buiten onze toestemming tot stand gekomen, is voor ons een ware zedelijke slavernij), dat volk is een der beste van Europa, waarbij misschien het gevoel voor recht en gerechtigheid het meest ontwikkeld is.

Burgers, menschen met ziel en geest, zijn geen koopwaar, waarmee men handel drijft, en het is dus ongeoorloofd bij tractaat over hen te beschikken."

Op den 18den Februari 1874 werd deze taal gesproken te Berlijn. Sedert dien heeft Duitschland met alle middelen der vreesaanjaging en omkooping, waarover het beschikte, het werk der verduitsching voortgezet. Hoe ver is het na die veertig jaar gekomen ?

Tegen het einde van 1913 brengt de zaak van Zabern, die niet maar een op zichzelf staand geval was, en die haar terugslag op de binnenlandsche politiek van het Duitsche Rijk deed gevoelen, een afdoend antwoord op die vraag. Ziehier de feiten :

In de eerste dagen van November 1913 vernam een jong luitenant, baron von Forstner, belast met de instructie der recruten,waaronder een zeker aantal Elzassers, dat een jonge;soldaat geboortig uit de Rijn-Provincie, twee maanden gevangenisstraf had ondergaan, omdat hij een Elzasser met een mes gestoken had. De luitenant zegt tot den Pruisischen soldaat: „Ik zou je voor dien messteek niet gestraft hebben ; ik zal je integendeel voor eiken smerigen Wacke, die je zult doodsteken 10 Mark geven. (Het woord Wacke (Elzasser dialect) komt van het Fransche vagebond). En een onderofficier, die daarbij tegenwoordig was, zegt op zijn beurt : „Ik doe er nog drie Mark bij." Luitenant von Forstner was gewoon, als hij Elzassers die onder hem dienden aansprak, hen zwijnen van wackes te noemen, en als ze zich bij hem aanmelden, moesten ze zeggen : „Ik ben een Wacke." Bij elke gelegenheid luchtte hij zijn haat en zijn minachting voor alles wat Elzassisch is.

Toen er opstootjes hadden plaats gehad, had kolonel von Reuter de stad in staat van beleg willen verklaren ; de tegenstand van den Kreisdirector (onderprefect) had echter dien noodlottigen maatregel verhinderd.

Wat de straffen aangaat, deze troffen in de eerste plaats niet hen die de afkeurenswaardige feiten gepleegd hadden, maar hen die ze openbaar hadden gemaakt.

Sluiten