Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Spaarbanken zelve Opgemerkt dient te worden dat, zooals uit de behoeven geen bewoordingen van art. 16, 3°., duidelijk blijkt, een ^rechtspersoonlijkheid spaarbank zelve geen iechtspersoonlijkheid behoeft te bezitten. . te bezitten, mits zij slechts wordt beheerd door een bestuur dat aan den in het artikel gestelden eisch

voldoet.

Uitbreiding 1900 Vóór de wijziging van 1900 werd geëischt, dat (art. lb, 4°.). moest zijn voldaan „aan de eischen van bekwaamheid, door of krachtens de wet gesteld voor de benoembaarheid tot eenig ambt, voor de vervulling van eenige betrekking of voor de uitoefening van eenig bedrijf of beroep".

Ten opzichte van de in 1900 aangebrachte wijziging, welke de bepaling geheel anders deed luiden, werd in de m. v. t. (blz. 7) o. m. gezegd:

„De nieuwe bepaling is met opzet in dier voege geformuleerd, dat zij ook omvat examens, die niet van regeeringswege worden afgenomen. Is de regeering overtuigd, dat bepaalde categorieën van examens, ook al worden zij niet ten overstaan van officieele autoriteiten afgelegd, genoegzaam waarborg geven voor het bezit van het in art. 1 in de laatste plaats gestelde kenteeken, dan kan zij bij algemeenen maatregel van bestuur het afleggen van die examens aanwijzen als voldoende voor een aanvraag om kiesbevoegdheid, maar alleen indien die examens in verband staan met benoembaarheid tot eenig ambt, vervulling van eenige betrekking of uitoefening van eenig bedrijf of beroep."

„In verband In de m. v. a. 2de k. 1900 (blz. 28) werd nog, naar

staande met". aanleiding van de in het v. v. (blz. 17) gemaakte opmerking, dat de uitdrukking „in verband staande" zeer onbestemd is, aangevoerd:

„Wel wordt beweerd, dat de uitdrukking „in verband staande" te onbestemd is, maar ondergetoekende zou niet weten, welke uitdrukking beter de bedoeling zou weergeven. De uitdrukking „recht of aanspraak gevende op" kan niet gebezigd worden, omdat de examens, die men op het oog heeft, wel dienen om het bewijs te leveren, dat de geslaagde candidaten geacht worden voor een zeker ambt, betrekking, beroep of bedrijf de noodige kennis te bezitten, maar overigens geen rechten of aanspraken geven."

Dat met de aangehaalde, door stelligheid zeker niet uitblinkende opmerkingen over de gewijzigde bepaling het laatste woord zou zijn gesproken, viel niet te verwachten.

Ktesw.

Sluiten