Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij de behandeling der staatsbegrooting voor 1898 antwoordde de minister nog op een vraag of werkverschaffing als bedeeling moet worden beschouwd: „Werkverschaffing kan zeer dikwijls bedeeling, onderstand, zijn. Dikwijls wordt er werk verschaft, zonder dat er eigenlijk dienst wordt gepresteerd, men geeft eigenlijk in zulk een geval alleen geld. Er is echter werkverschaffing, waarbij het loon, dat men krijgt, dubbel en dwars verdiend is en dan is van onderstand geen sprake."

Werkverschaffing door een particuliere commissie, die zelve niet als instelling van weldadigheid kan worden aangemerkt en haar middelen niet geheel of ten deele ontvangt van een gemeentebestuur of van een instelling van weldadigheid, kan nimmer als onderstand worden beschouwd, evenmin als een verstrekking, in welken vorm ook, waarop men uit een of anderen hoofde recht heeft.

V ersterkende Een in het v. v. betreffende het wijzigingsontwerp

middelen. van 1900 geuite wensch, dat in de voorgestelde be¬

paling nevens geneesmiddelen ook versterkende middelen of andere middelen tot herstel van gezondheid en kosten van krankzinnigenverpleging zouden worden vermeld, werd door den minister als volgt beantwoord (m. v. a. blz. 29): „Hier ook van versterkende middelen of andere middelen tot herstel van gezondheid alsmede van kosten van krankzinnigenverpleging te gewagen, komt niet raadzaam voor. Al is een middel dat wordt voorgeschreven vrij kostbaar, daardoor houdt het nog niet op geneesmiddel te zijn."

^vadfer naar de beteekenis dezer woorden gevraagd, antwoordde de minister (handelingen 2de kamer 1900/1901, blz 231): „Waar in de m. v. a. gezegd wordt dat een geneesmiddel, hetwelk kostbaar is, daarom nog niet ophoudt geneesmiddel te zijn, daar heb ik volstrekt niet gedacht aan versterkende middelen. Ik wil gaarne toelichten wat ik daarmede bedoeld heb. Naar mijn meening moeten onder geneesmiddelen ook verstaan worden heelkundige middelen of voorwerpen, al zijn die ook kostbaar. Wanneer iemand een breukband noodig heeft, dan beschouw ik dit wel degelijk als een geneesmiddel. Zelfs indien een been wordt afgezet en de patiënt een kunstbeen krijgt, dan is dat naar mijn opvatting een geneesmiddel. Daarop had ik dan ook het oog in de m. v. a., toen ik sprak van middelen, die kostbaar zijn, maar daarom niet ophouden geneesmiddelen te zijn."

Een amendement, strekkende om het 2de lid zoodanig te redigeeren, dat ook versterkende middelen uitgezonderd zouden zijn, werd hierna verworpen.

Sluiten