Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat die nieuwe lezing, welke wet is geworden, gezien in het licht der geschiedenis, geen andere opvatting toelaat, dan dat de wetgever het kiesrecht heeft onthouden aan hem, die, aangeslagen in meer dan één directe belasting, niet al die verschillende aanslagen ten volle heeft betaald;

dat tegenover dit algemeen beginsel door den verzoeker tevergeefs beroep wordt gedaan op art. 11, waarin voor het geval van verhuizing slechts wordt gesproken van aanslag in één der rijks directe belastingen;

dat immers uit de schriftelijke en mondelinge beraadslagingen op geenerlei wijze blijkt van den wil des wetgevers om voor dit geval een uitzondering te maken en de bloote omstandigheid, dat in het bedoelde artikel de enkelvoudsvorm wordt gebezigd, onvoldoende is om aan te nemen, dat het algemeen beginsel, in art. 1 vooropgezet, hier zou zijn losgelaten;

dat wel verzoeker nog betoogt, dat een zoodanige uitzondering haar grond zou kunnen vinden in den wensch om aan de gemeentebesturen zoo weinig mogelijk wetenschap te verschaffen aangaande de aanslagen van de bewoners in de rijks directe belastingen, doch dit betoog, hetwelk geen steun vindt in de geschiedenis der kieswet, waarin van den door verzoeker onderstelden wensch niet blijkt, geen stand houdt tegenover de bepalingen dier wet zelve, die, gelijk het bestreden vonnis te recht opmerkt, o. a. in art. 25 van bekendheid der gemeentebesturen met die aanslagen uitgaat;

dat de kantonrechter derhalve, nu vaststond, dat de verzoeker behalve in de personeele belasting over het afgeloopen dienstjaar ook in andere rijks directe belastingen was aangeslagen, te recht voor plaatsing op de kiezerslijst ook van die andere belastingen overlegging van de voor voldaan geteekende aanslagbiljetten heeft noodig geoordeeld en de als geschonden voorgestelde artikelen juist toepaste, toen hij> bij gebreke van die overlegging, het verzoek tot plaatsing op de kiezerslijst afwees".

Critiek op (lit In de gem. stem (3102—1), welker redactie evenals

arrest. bondsblad 134, Elenbaas, 3de dr. I, 603 en De Voogt,

De uitvoering der kieswet, 2de dr., blz. 15, een aan dat van den hoogen raad tegenovergesteld gevoelen is toegedaan, wordt in een uitvoerige critiek op de bovenvermelde beslissing gezegd: „Naar ons oordeel heeft de hooge raad in deze beslissing niet behandeld de vraag, welke op den voorgrond had behooren te zijn gebracht. Dat, behoudens dan het bepaalde in art. 2, derde lid, alle aanslagen over het laatst verloopen dienstjaar vóór of op 1 Maart

Sluiten