Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de door het gemeentebestuur vastgestelde kiezerslijst slechts kan gevraagd worden en plaats hebben op grond dat iemand in strijd met de wet daarop voorkomt, niet voorkomt, of niet behoorlijk voorkomt;

dat de verzoeker, ten aanzien van wien het op geenerlei bij de wet omschreven wijze gebleken was dat hij de vereischten voor het kiesrecht bezat, niet in strijd met, doch overeenkomstig de wet niet geplaatst is op de door het gemeentebestuur van Haarlem vastgestelde kiezerslijst, en dat, waar die niet-plaatsing niet in strijd met de wet is geweest, voor den verzoeker de grond ontbrak om te zijnen aanzien verbetering van de kiezerslijst te vragen en hij dien niet kan ontleenen alleen aan het bezit van de vereischten voor het kiesrecht;

dat toch de door den verzoeker verzuimde, in art. 11 voorgeschreven overlegging binnen den daarvoor bepaalden termijn van het voor voldaan geteekend aanslagbiljet voor een der rijks directe belastingen in een andere gemeente, evenals de overige in de wet voorgeschreven aangiften, binnen zekere termijnen, strekt ten einde het gemeentebestuur in staat te stellen om, na het bij de wet voorgeschreven onderzoek, tijdig op de kiezerslijst die van 15 Mei tot 15 Mei van het volgende jaar voor de verkiezingen moet werken, allen te plaatsen die daarop aanspraak hebben, doch dat die termijnbepalingen haar doel zouden missen wanneer de gelegenheid open stond voor allen, die de van hen verlangde aangiften hadden nagelaten, om na de vaststelling der kiezerslijst alsnog daarop te worden geplaatst".

Arresten van dezelfde strekking zijn nog gewezen 24 Juni 1898 (gem. stem 2448, weekbl. burg. adm. 2566) en 9 Juni 1899 (gem. stem 294, weekbl. burg. adm. 2613).

Uit een bespreking van het bovenvermelde arrest van 11 Juni 1897 in weekbl. burg. adm. 2516 nemen wij nog het volgende over, omdat daarin op o. i. juiste gronden verschillende opmerkingen worden weerlegd, welke ook nog na het bekend worden van het arrest werden geuit en ook omdat de kwestie, hoezeer zij thans als uitgestreden beschouwd kan worden, toch van genoegzaam belang is om een veelzijdige beschouwing te wettigen.

„Niet geheel juist komt ons het verwijt voor, door de geachte redactie der gemeentestem in haar no. 2393 tot het arrest gericht, dat de hooge raad zich ter motiveering van zijn opvatting tevreden stelt met het utiliteitsargument, dat bij een tegengestelde opvatting de termijnsbepalingen haai doel zouden missen. Immers stelt zich allereerst het arrest met dit argument niet tevreden, maar legt het wel degelijk den nadruk op het door ons aangehaalde gewichtige argument

Sluiten