Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichting (waartoe zij niet verplicht is) te verstrekken, terwijl ook tegenover een onjuiste inlichting de verzoeker geheel machteloos is.

Het gemeentebestuur is niet als partij aan te merken. (Zie blz. 154.)

Verzuim van Verzuim van de in art. 37 voorgeschreven betee-

beteekening. kening heeft niet-ontvankelijkheid van het verzoek ten gevolge. (Arrest van den hoogen raad van 24 Juni 1898, weekbl. burg. adm. 2564.)

Artikel 38.

De wederpartij kan binnen vijf dagen na deze beteekening eene memorie van antwoord aan den kantonrechter indienen, met overlegging van bewijsstukken.

Artikel 39.

De kantonrechter is bevoegd partijen te hooren en aan elke van haar bewijsvoering door getuigen of een eed op te leggen.

Binnen zes dagen doet hij zijne einduitspraak of geeft hij eene beschikking als bedoeld bij het eerste lid van dit artikel. In het laatste geval kan hij bij zijne beschikking tevens bij provisie wijziging der kiezerslijsten bevelen.

Art. 39 geeft aan Gelijk meermalen door den hoogen raad is uitden kantonrechter gemaakt (zie o. a. de arresten van 30 Juni 1905, enkel een bevoegd- bondsblad 214, weekbl. burg. adm. 2934, 28 Juni heid. 1907, weekbl. burg. adm. 3042, 8 Juli 1913, weekbl.

burg. adm. 3359), geeft het 1ste lid van art. 39 aan den kantonrechter enkel een bevoegdheid, waarvan gebruik te maken hem geheel vrijstaat. Oordeelt de kantonrechter het gebruik maken van deze bevoegdheid niet noodig, dan kan hieraan geen grond tot beklag in cassatie worden ontleend. (Zie blz. 150 en 151.)

Eed* Al wordt volgens het laatste lid van art. 36 het

verzoek aan den kantonrechter om verbetering van de kiezerslijst als een burgerlijke zaak berecht, dit neemt niet weg dat de kantonrechter met betrekking tot het opleggen en den inhoud van den in het eerste lid van art. 39 bedoelden eed geheel vrij en derhalve niet aan de bepalingen van het burgerlijk wetboek gebonden is. Zie in dezen geest een arrest van den hoogen raad van 15 Juli 1898 (weekbl. burg. adm. 2569).

Sluiten