Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1534, in de oude hertogsstad; de weduwe ontving hem met liefde, vestigde den bezielden blik op hem, en, de hand op zijn hoofd leggend, onthulde zij hem, wat God haar veropenbaard had. En wat sprak zij toen? Als de jongeling een grijsaard van vijf en zeventig jaar zal geworden zijn, zal hij het zich nog dankbaar herinneren en aan zijn neef, pater Joannes Buys uit Nijmegen schrijven : „Gezegend zij God, door wiens genade het mij gegeven werd te Arnhem eene heilige weduwe te zien, uit wier mond ik vernam, dat een nieuwe Orde van priesters tot de hervorming der Kerk zou ingesteld, en ik onder hun getal zou gerekend worden."

Deze voorspelling was des te merkwaardiger, omdat, gelijk Canisius in zijn testament getuigt, ,,toen noch bij de Italianen, noch bij de Franschen, noch bij de Duitschers ook maar eenige gedachte of spraak was van de Jezuïeten, gelijk zij nu worden genoemd."

Uit de Belijdenissen des Zaligen weten wij nog, dat hij in zijne jeugd ook nu en dan te 's Hertogenbosch geweest is, natuurlijk bij de familie zijner moeder, en, waarschijnlijk wel van hier uit, te Oisterwijk, alwaar hij Maria van Oisterwijk, die later geroemd werd als ,,de algemeene moeder der Jezuïeten te Keulen," mocht bezoeken. Ook deze vrome vrouw, op wier gebed Canisius, zooals hij schreef, zooveel vertrouwde, verkondigde hem zijne toekomst. „Eene waarlijk vrome en wijze maagd uit Brabant, door hemelsch licht bestraald, kondigde mij onder anderen aan, dat mijne werkzaamheden en geschriften tot het welzijn der Kerk zouden bijdragen."

En nog lezen wij in zijne Belijdenissen : „Ik kan hier de brave en heilige zielen niet vergeten, welke ik als kind en als jongeling herhaaldelijk heb leeren kennen, toen ik te Arnhem, te Nijmegen, in Den Bosch, te Oisterwijk, te Diest en te Leuven vertoefde."

Sluiten