Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heden, ten einde mij mijne onwaardigheid klaar te doen inzien ; hij scheen al die zwakheden als zoovele redenen aan te voeren, die mijne leiding op een volmaakteren weg moeielijk zouden maken. Maar daarop, Heer, hebt Gij mij uw allerheiligst Hart als geopend, dat ik scheen van nabij in te zien, en Gij hebt mij uitgenoodigd, o mijn Zaligmaker, om uit U de wateren des heils te putten, en mij bevolen uit die heilige bron te drinken. Ik van mijnen kant verlangde ten zeerste, dat daaruit in mij stroomen van geloof, hoop en liefde zouden vloeien. Ik dorstte naar armoede, kuischheid en gehoorzaamheid ; ik bad om gezuiverd en door U zeiven bekleed en versierd te worden. Nadat ik daarom uw allerzoetst Hart naderen en daaraan den dorst mijner ziel had durven lesschen, beloofdet Gij mij een kleed om de naaktheid mijner ziel te bedekken en mij te bereiden tot mijne professie; dat kleed was samengesteld uit den vrede, de liefde en de volharding. Aldus met het gewaad des heils omhangen, had ik een vast vertrouwen, dat mij niets meer zou ontbreken, en dat alles zou slagen tot uwe glorie."

Na deze kostbare gunst stond de Zalige op, verliet de Sint-Pieterskerk en begaf zich naar het professiehuis der Sociëteit om zijne geloften af te leggen. „In den aanvang der Mis," verhaalde hij later, „die in tegenwoordigheid der medebroeders werd opgedragen door den eersten en eerwaardigen Overste onzer Sociëteit, uwen zoon Ignatius, steldet Gij, o God, mij nogmaals mijne

J o oogen, en bij het gezicht

daarvan ijsde ik van mij zeiven, en gevoelde mijn gansche onwaardigheid. Maar bij de opheffing der H. Hostie, o Vader der barmhartigheden, hebt Gij mijn hart vertroost, mijne hoop opgebeurd en mijn moed vermeerderd ; Gij hebt mij groote beloften gedaan en, mijne

Sluiten