Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door de vorsten te doen aannemen. Daartoe waren mannen noodig van veel deugd niet alleen, maar ook van veel moed en veel invloed. Voor Duitschland was die man spoedig gevonden: Canisius.

Te voet of te paard, en slechts van een leekebroeder vergezeld, trok de pauselijke gezant naar zijne bestemming, en kwam tegen het einde van November te Keulen, waar hij zich moest ophouden om lastbrieven omtrent zijne zending te ontvangen. Van hier besloot hij een kort bezoek te brengen aan de hem altijd dierbare stad, waar hij, om met onzen alouden dichter te spreken,

Eerst rijzen zagh den glans des dageraads.

In vele jaren had hij haar niet meer gezien, maar zij was hem toch niet vreemd geworden ; geene gelegenheid immers had hij verzuimd om zijnen verwanten en vrienden te Nijmegen zijne liefde te betoonen. Iedere brief, dien hij naar zijn vaderstad stuurt, spreekt daarvan. „Wilt van mijnentwege groeten," schrijft hij den i6den December 1561 aan Thomas Buis, kanunnik der St.-Stevenskerk, „mijne zusters, broeders en vrienden, wien ik standvastigheid in het katholiek geloof toewensch, toeleg op en voortdurenden ijver in de aloude vroomheid onzer vaderen, alsook die ware broederlijke liefde, waardoor zij onderling verbonden mogen blijven." En van zijne liefde voor zijne vaderstad getuigt een ander woord in denzelfden brief: „Voor mij zal er hier niets aangenamer zijn, dan dat bij u de bevolking, onbesmet in het katholiek geloof en ijverig in het bewaren van eendracht en vrede, als 't ware geen plaats beschikbaar late voor sectarissen en oproerigen."

Zijne bloedverwanten aldaar had hij, als waar kloosterling, altijd oprecht bemind en, voor zooveel hij vermocht, voor hun geluk gezorgd. Den 5den Februari 1545 schreef hij aan Oswald, graaf van 's Heerenberg, wiens

Sluiten