Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liefde voor de Sociëteit wij vroeger reeds zagen: „Ik steun op de buitengewone heuschheid en welwillendheid, welke gij zoovele jaren lang jegens mijn vader zaliger Jacob aan den dag hebt gelegd. Ik twijfel dan ook niet, of gij zult voortdurend de beschermer blijven mijner halve broeders en zusters, indachtig hoe verdienstelijk het is, weezen, onmondigen en weduwen te beschermen."

Zelf ook wilde hij in later jaren daartoe optreden. «Zend mij mijn jongeren broeder Otto," schreef hij den 20sten Augustus 1553 uit Weenen aan zijne schoonmoeder Wendelina, „en met al de bezorgdheid van een vader zal ik over hem waken." Wendelina stemde toe, en blijde trok Otto naar Oostenrijks hoofdstad, en verbleef er geruimen tijd onder toezicht van zijn heiligen broeder. Niet lang te voren in 1551 had zijn andere broeder Dirk, een jonkman met groote deugd en groote wetenschap, zich onder zijne geestelijke leiding gesteld, en plukte daarvan zoo heilrijke vrucht, dat hij in den herfst van 1554 te Weenen kwam, om zich voor de Sociëteit aan te bieden. Wat blijdschap voor Canisius ! Hij onderzocht nauwkeurig zijne roeping, en zond hem daarop naar Rome,waar Ignatius hem in het noviciaat opnam.

Ook de vrome jonkvrouw, die in zijne levenslente zijne eerste schreden op het pad der deugd geleid had, Teresia van den Bergh, was hem trouw gebleven, en droeg tevens der Sociëteit oprechte liefde toe.

Op den hoek der Ridderstraat had zij een uitgestrekt terrein met twee groote huizen en drie of vier kleinere woningen, en bood dit den H. Ignatius aan voor klooster en school. Pater Leonardus Kessel werd door den heiligen stichter met de behandeling dier zaak belast; aanvankelijk ging alles voorspoedig, maar in het begin van Januari 1555 zond de raad hem een stads „roedrager," om hem uit naam van „burgemeesteren, schepenen ende

Sluiten