Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

raedt" aan te zeggen, dat hij zich eerstdaags uit de stad moest verwijderen. Toen later Canisius dit vernam, schreef hij den 23sten Mei 1555 uit Weenen aan burgemeester Wichman van den Bergh een brief, waarin hij met edele verontwaardiging opkomt tegen den laster, op de Jezuïeten geworpen, en hem met kracht van redenen aanspoort en bezweert, ,,die trouwe werklieden op den verlaten akker te ontvangen." „Ofschoon ik vertrouw," zegt hij, „dat het ons meer tot eer dan tot schande strekt wat er zoo lichtvaardig tegen de onzen beslist is, zoo betreur ik het echter om u, om den Raad en om mijn vaderstad, dat men zoo weinig edel heeft gehandeld met mannen, die te Nijmegen, ik zeg niet geduld, maar geëerd moesten worden. Gij weet wie en hoevelen van ons, weleer in uwe stad geboren, opgevoed, woonachtig en door den band des bloeds aan u verknocht, thans onder de banier van Christus in onze Sociëteit zich bevinden. Daarom hadt gij — zoo niet om de gemeenschap van geboortegrond, of om de verdiensten onzer vaderen en magen ter uwer gemeente, — zoo niet om den onbreekbaren band eener oude vriend- en bloedverwantschap, dan ten minste omdat wij uwe medeburgers zijn en blijven, — éénen om velen moeten sparen en niet slechts sparen, maar zoo noodig, gelijk uwe voorzichtigheid en onpartijdigheid dit doet en moet, met raad en daad ten dienste en van nut zijn."

Dit dringend schrijven mocht niet baten ; de raad was reeds te veel protestantsch, om nog Jezuïeten toe te laten. Al deze brieven en onderhandelingen toonen ons evenwel, hoe Canisius voortdurend met zijne vaderstad in betrekking was gebleven, tot hij, gelijk wij zeiden, einde November 1565 haar persoonlijk kwam bezoeken. Hij was. ditmaal vergezeld van zijn stadgenoot Henricus Dionysius, den lateren apostel van Maastricht.

Wel was de stadsregeering reeds voor een gedeelte

Sluiten