Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de uitwaseming der zonde, uit zijne tegenwoordigheid te verjagen." Die ernstige gedachten beterden haar van alle lichtzinnigheid en onbezonnenheid, aan den kinderleeftijd zoo eigen.

Mevrouw van Valckenissen was in haar hart uitermate verheugd over haar dochtertje, en rekende het zich ten plicht zulk eene reine ziel met de grootste bezorgdheid te bewaken. Dewijl haar stand haar noodzaakte, de grooten der wereld in hare salons te ontvangen, en de aanraking met die hooge kringen zoo licht schadelijk op haar kind kon werken, besloot zij tot een zwaar offer, en zond de kleine Maria naar het Dominicanessenklooster van 's Hertoginnendaal, niet verre van Brussel. Hier belastte Maria's tante, eene zuster harer moeder, zich met de verdere opleiding.

In deze omgeving van Godminnende zielen werd het jeugdig hart niet enkel vervuld met de vreeze maar ook met de liefde Gods, zoo innig zelfs, dat het kind van nauwelijks zeven en een half jaar reeds dringend bad den Godmensch in de H. Communie te mogen ontvangen. Maar hoe zulk een kind reeds tot de H. Tafel toelaten ? Op zekeren dag hield de rector van het klooster eene conferentie voor de pensionairen, en verhaalde haar in algemeene trekken de geschiedenis van koning David. Het leergierig meisje luisterde met de grootste aandacht, maar na de toespraak zeide zij zachtjes : „Pater, ik geloof, dat u vele punten hebt overgeslagen." — „Wel, kleine schoolmeesteres," antwoordde de priester, verwonderd over deze vroegrijpheid, „reeds lang dringt ge er op aan uwe eerste H. Communie te mogen doen; nu dan, ofschoon het geen gewoonte is zoo jonge kinderen tot de Tafel des Heeren toe te laten, zal ik het u toch vergunnen, wanneer ge mij de heele geschiedenis van David, zonder iets over te slaan, kunt vertellen."

Sluiten