Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beminde vader stierf den 23sten Maart 1614. Maria weende bij het lijk, maar had toch reeds zielskracht genoeg om door hare tranen heen voortdurend voor den overledene te bidden. Na de begrafenis moest zij hare moeder naar Brussel vergezellen, waar liefderijke verwanten der weduwe allen troost boden; in den eersten tijd, hield de zware rouw haar van alle gezelschap af, maar dan meende mevrouw van Valckenissen, dat zij zich toch niet geheel van de wereld mocht scheiden, hare kinderen — zij had er behalve Maria nog vijf, waarvan er drie op jeugdigen leeftijd gestorven waren — moesten toch langzamerhand in de hooge kringen verschijnen.

Zoo deed dan ook Maria, aan de hand harer moeder, haar intrede in de groote wereld. Hier trok zij aller oogen tot zich. Hare blanke onschuld gaf aan geheel haar wezen een glans van oprechtheid ; deftig was zij en ingetogen en tevens lieftallig en eenvoudig ; en hoe ook door allen gezocht, door velen gevleid, wist zij toch ook in de glanzende salons de reinheid des harten te bewaren. Of zij dan in het geheel niet geofferd heeft aan den geest der wereld ? Wanneer de jonkvrouwe van nu jaren later als Carmelites in het klooster van Oirschot zal wonen, zal zij somwijlen met hare medezusters in groote rouwmoedigheid spreken over wat zij dan zal noemen de afdwalingen harer jeugd. En wat bestempelde zij met dien naam ? De kleeding der edelvrouwen in het begin der zeventiende eeuw was wellicht minder sierlijk, maar zeker veel kostbaarder dan thans. Zoo verscheen dan ook Maria in de deftige kringen in een kleed van zwaar laken, met groote kanten van zilver en goud, of in een geborduurden tabbaart en een zilverlakenschen rok met gouden bloemen ; van het hooge kanten kapsel daalde een lange sluier, blinkende van paarlen en goud, en viel neder op den breeden hals-

Sluiten