Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III

jp een vroegen Octobermorgen van het jaar

1624 knielde de eerbiedwaardige Overste van het Carmelitessenklooster te Antwerpen, Anne de St. Barthélemy in gebed neder, en be¬

klaagde zich bij hare zalige Moeder Teresia; dat zij reeds zoo langen tijd vruchteloos naar nieuwe novicen had uitgezien. En eensklaps, daar verscheen haar de Serafijnsche Moeder, en troostte hare trouwe gezellin van weleer met de belofte : „Het octaaf van mijn feest zal niet voorbijgaan, zonder dat zich eene postulante opdoet, begaafd met alle hoedanigheden, die een waar Carmelites vormen, en geschikt om groote diensten te bewijzen." Eenige dagen na Sinte Teresia's feestdag werd de Overste in de spreekkamer geroepen : Maria van Valckenissen stond vóór haar. Met verbazing herkende Anne de St. Barthélemy in deze deftige jonkvrouwe al de gelaatstrekken, geheel het uiterlijk der novice, welke haar door de H. Teresia den vorigen nacht in den droom getoond was. Maria openbaarde haar gansch heur leven, en zeide ten slotte, hoe zij in de laatste jaren bij de kanonikessen van Nivelles had gewoond, en eindelijk besloten had Jezus en Maria in de Orde van den Carmel te dienen. Wel was haar voogd hevig tegen dit besluit gekant: maar wilde de Overste haar aannemen, dan zoude zij met grooten moed hare heilige roeping involgen. Nauwkeurig geschiedde nu het onderzoek, en eindelijk klonk het van de lippen der door God verlichte Overste: „Doe, dochter, wat uw harte u ingeeft: want God heeft dat besluit daarin nedergelegd."

Nu kwam nog wel de wereld in verzet tegen de lieftallige jonkvrouw, die haar verliet: nu kwamen nog wel

Sluiten