Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfverloochening en in het veelvuldig bezoeken van het H. Sacrament des Altaars. „Niets is er aangenamer, dan van zijne cel naar het koor te gaan bij Jezus, en Hem daar te beschouwen als een pelgrim hier op aarde, altijd met ons levend, en in dezelfde tente over ons wakend. Wat eene zoetheid, in zijne tegenwoordigheid Gods lof te zingen, en hier de goddelijke geheimenissen te eeren ter zelfder tijde, dat de Heiligen die vieren in den hemel! Is ons koor niet de vertegenwoordiger van de beide Kerken des hemels en der aarde ?" Wat de zelfverloochening betreft, zij vroeg van hare dochters eene heilige onverschilligheid voor alle bedieningen en eene volslagen onthechting aan alles; zij vroeg niet minder eene nauwkeurige gehoorzaamheid aan den Regel en de aloude gebruiken der Orde. Wanneer zij hare dochters op dien weg vooruit zag gaan, wijdde zij haar in in de geheimen des lijdens en leerde haar zich zeiven in stilte voor Jezus slachtofferen. ,,De ziel, die al de waarde van het lijden kent," zeide zij, „vreest het niet meer, maar koestert daarnaar eene heilige begeerte."

Hare dochters volgden haar gaarne op dat doornige pad, omdat zij door hare liefde het zooveel mogelijk verzachtte en zelf in alles haar voorging.

In de uren van ontspanning verlangde zij eene oprechte en zachte opgeruimdheid. „Die in de wereld leven, of in zonde zuchten, mogen neerslachtig zijn," was haar woord; „maar wij, die niets anders verlangen dan de goddelijke Majesteit te dienen, wij mogen dubbel de blijdschap der Engelen genieten; immers wij volbrengen gelijk zij den goddelijken wil, en daarenboven lijden wij voor zijne glorie, wat zij niet kunnen." Zij duldde dan ook niet, dat iemand daar stil en afgetrokken in de rij der Zusteren neerzat, en was de eerste om een vroolijk en levendig gesprek te onderhouden. Ook voor de spij-

Sluiten