Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zen, hoewel eenvoudig, droeg zij bijzondere zorg; reeds vroeg in den morgen bestelde zij aan de werkzusters, wat dien dag op tafel moest komen en berispte haar, wanneer zij het niet goed hadden toebereid. Moest er wat anders dan gewoonlijk worden klaargemaakt, of was er voor eene zieke iets bijzonders noodig, dan stond zij zelve de keukenzuster ter zijde. Was eene Zuster vermoeid van den arbeid, aanstonds kwam de priorin haar te hulp. In het bestuur der kloostergemeente was zij nooit heerschzuchtig of gebiedend, en nog jaren na haren dood wisten de Zusters van Oirschot te verhalen, dat zij bij een bevel nooit zeide : „Doe dat!" maar altijd: „Laten we dit doen."

Moest zij, wat toch maar zelden noodzakelijk was, iemand berispen, dan merkte men aan geheel haar uiterlijk, hoezeer haar dat kostte. Na het woord der openlijke vermaning, welke de plicht haar voorschreef, ging zij die Zuster in haar cel opzoeken en wist, zonder den goeden indruk van den ernst weg te nemen, door zachte vriendelijkheid nieuwen moed te geven en neerslachtigheid te voorkomen.

Zooveel zachtheid van bestuur, waaraan reeds de heerschappij over de harten beloofd is, werd nog gesteund door de kracht van het voorbeeld.

Vorderde zij van anderen eene volkomen gehoorzaamheid, zelve ook onttrok zij zich niet aan den Regel. Wanneer de Provinciaal de voorgeschreven visitatie kwam houden, verklaarde geheel de kloostergemeente eenstemmig, dat in Moeder nooit de minste fout, de kleinste ongetrouwheid aan Regel of gewoonte te ontdekken viel. De eenzaamheid en de beschouwing, die hoofdbestanddeelen eener bespiegelende Orde, waren haar boven mate lief. „O eenzaamheid, gezegende eenzaamheid!" hoorde men haar uitroepen, „wat voordeel geeft gij aan

Sluiten