Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehouden worden door de vrees, die te recht werd gekoesterd, voor de tusschenkomst der Staten-Generaal.

,,De Bossche geneesheer Hendrik Gillis verklaarde den i8den Maart 1658, dat de onbedorvenheid des lichaams boven de krachten der natuur was en alleen aan eene bovenaardsche tusschenkomst kon toegeschreven worden. Den 11 den junj verscheen te Oirschot de geneeskundige faculteit der universiteit van Leuven, bestaande uit de bekende professoren Michiel van Ophem, Vopiscus Fortunatus Plemp en Pieter Dorlin, die, na het lichaam onderzocht te hebben, de getuigenis aflegden: dat de toestand, waarin het verkeerde, niet met den gewonen loop der natuur overeenkwam en de krachten daarvan te boven ging, zoodat zij dien aan de werking eener hoogere macht moesten toeschrijven."

Meer dan vijf maanden bleef het eerbiedwaardig lichaam uitgesteld, en nog altijd wachtten de Zusters de terugkomst van pater Petrus. Maar deze was op zijne missiereizen in Engeland ernstig ziek geworden, en zou in nog langen tijd niet kunnen overkomen. Daarom gebood de provinciaal de Carmelitessen eindelijk tot de begrafenis over te gaan, hetgeen geschiedde den 24sten Juli 1658.

Twee jaren bleef nu het lichaam in de stille rust van het graf in de kloosterkapel. Toen verscheen te Oirschot de algemeene visitator van België en de huizen in ons land, pater Ludovicus van de H. Teresia; hij had reeds uit het handschrift van De Loyac het wonderbaar leven der vrome priorin leeren kennen, en wilde zich thans door eigen aanschouwing overtuigen. Hij beval den 26sten Augustus het graf te openen. Tegenwoordig waren hierbij hij zelf, zijn secretaris pater Hilarius, pater Petrus missionaris te Leiden, pater Bernardus te 's Gravenhage, Philips van Valckenissen abt van St. Bernard te Antwer-

Sluiten