Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terug. De Staten weigerden, en bevalen bij besluit van 23 Juli 1663 aan de Schepenen van 's Hertogenbosch, het lichaam in alle stille bij nacht te begraven op eene veilige plaats in eene kerk hunner stad. De Schepenen kozen daartoe de Sint-Jan, die toen in de macht der Protestanten was.

In den nacht van Zaterdag op Zondag, 4 op 5 Augustus, had de overbrenging plaats. De kist, met een zwart laken overdekt, verhaalt Van Heurn, werd door de gewone lijkdragers van het stadhuis gebracht, en in de koets van den voorzittenden Schepen jonkheer Ferdinand Sweerts gezet. Deze werd van stads Groeneroeden vergezeld. Hierop volgde nog een koets, waarin de voorzittende en twee andere Schepenen Nicolaas Lobel en Johan van Zutphen zaten. Het meerendeel der hoofdwacht, veertig man sterk, omringde deze koetsen, om den toeloop des volks te beletten en het uit de kerk te weren. Toen de kist in de Sint-Janskerk was neergezet naast het graf binnen het hek der doopvont, deed de voorzittende Schepen haar ontsluiten en toonde aan zijne ambtgenooten het lichaam, zooals de regeering het ontvangen had. Hij verzocht hen hiervan kennis te nemen. Dan werd de kist gesloten, en in het graf nedergelaten. Dit werd in tegenwoordigheid des voorzitters en der Schepenen dicht gemaakt en met een zerk gedekt. En de regeering gaf hiervan terstond den Algemeenen Staten kennis, en, zoo besluit Van Heurn, en 't is ons, alsof hem bij deze slotwoorden een zucht van verlichting aan de borst ontschiet, »dus nam dit geval een einde."

Zoo hij met deze woorden bedoeld heeft, dat thans de nagedachtenis der eerwaardige Nonne eveneens ten grave was gedaald, of dat de wonderdadige olie, het werktuig van zooveler genezing, thans vernietigd was, is hij deerlijk te leur gesteld.

Sluiten