Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit was de eerste zegewensch, die Olivier ooit over zich had hooren uitspreken, en nooit, nooit in zijn later leven, hoe moeitevol, vol lijden en tegenspoed dit ook was, vergat hij de troostvolle woorden, die zijn klein vriendje Dick hem eens influisterde.

Toen Olivier ongeveer een mijl had afgelegd, ging hij even op een steen langs den weg uitrusten. Op dezen steen stond den afstand naar Londen aangegeven. Londen is zoo'n groote stad, bedacht Olivier zich, dat niemand, zelfs de heer Bumble me daar ooit zou kunnen vinden. Dikwijls had hij de oude menschen in het Armenhuis hooren vertellen, dat geen flinke jongen in Londen gebrek behoefde te lijden, en dat er in die reuzenstad altijd zooveel werk te vinden was, waar menschen, die buiten wonen, geen begrip van hebben. Londen zou dus de juiste plaats wezen voor een dakloozen jongen, die hulpeloos buiten op het land zeker van ellende zou omkomen.

En toen deze gedachte in hem opkwam, sprong hij vol blijde hoop op en vervolgde zijn weg. Toen hij evenwel ongeveer een halve mijl verder was, viel het hem opeens met schrik in, wat hij nog wel zou moeten doormaken, eer hij zijn doel bereikt had. In zijn toegeknoopten zakdoek had hij een korstje brood, een grof hemd en twee paar sokken, en in zijn zak twee centen, die hij eens voor een boodschap van iemand gekregen had. Maar nu hij eenmaal besloten was naar Londen te gaan, nam hij zijn bundeltje weer op en ging blootvoets verder.

Zeven lange dagen sleepte hij zich langs de dorpsstraten verder, bedelende om wat eten. Op den morgen van den zevenden dag evenwel, toen hij doodmoe het kleine stadje Barnet binnenstrompelde, was hij zoo flauw van honger,

Sluiten