Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een flesch stond met een kaars er ingestoken, eenige tinnen schalen, een stuk brood en boter, en een schotel. In een pan boven het vuur, die met een ketting bevestigd was aan de schoorsteenplank, stonden eenige worsten te koken. Over deze pan stond, een ijzeren vork in de hand, een oude, rimpelige jood gebogen, wiens geheimzinnig, afstootend gelaat gedeeltelijk bedekt was door de verwarde, sluik neerhangende, roode haren. Hij droeg een lange, losse jas van vuil flanel, die zijn hals bloot liet, en scheen zijn aandacht te verdeelen tussehen zijn kookpan en een droogrek, waarover een groot aantal zijden zakdoeken hingen. Eenige slordige bedden, gemaakt van oude zakken, lagen naast elkaar op den grond gespreid, terwijl om de tafel vier of vijf jongens zaten, niet ouder dan John, die als oude mannen uit lange steenen pijpen rookten. Zij schaarden zich allen om hun kameraad, toen deze den jood eenige woorden influisterde, waarna zij zich omkeerden en Olivier grinnekend aankeken. Toen grinnikte de jood met zijn ijzeren vork in de hand hem eveneens toe.

«Dit is mijn vriend Olivier Twist, Fagin,» zei John.

De oude jood heette Olivier hartelijk welkom, gaf hem een heerlijk maal eten en een warm plaatsje bij den haard. Toen hij merkte, hoe Olivier nieuwsgierig naar de zijden doeken keek, vertelde hij hem, dat zij deze zakdoeken juist uitgewasschen hadden. De jood, zoowel als zijn jeugdige vrienden, schenen dit verhaal als een groote grap te beschouwen, hoewel Olivier maar niet begrijpen kon, waarom zij er toch zoo uitbundig om lachten. Doch het zou niet lang duren, eer hij dit alles maar al te duidelijk begr.jpen zou.

Den ochtend na zijn aankomst zag hij tot zijn groote

Sluiten