Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sloten hebben, wanneer niet tot zijn redding de boekbandelaar, bij wien de oude heer zich had opgehouden, ter rechter tijd gekomen was, en als getuige optrad om te verzekeren dat niet Olivier, maar een anderen jongen den diefstal begaan had.

De angst en vermoeidheid hadden Olivier intusschen zoo aangegrepen, dat hij bewusteloos neerviel. De oude heer liet onmiddellijk een rijtuig komen en reed hem naar zijn eigen woning, waar Olivier in een heerlijk bed gelegd en zorgvuldig verzorgd werd.

Dagen achtereen had Olivier daar reeds in het gastvrije huis van zijn nieuwen vriend gelegen, zonder dat hij zich nog van iets bewust was. De zon ging op en onder, weder op en onder en nog vele malen zoo — en nog altijd lag hij buiten kennis, verward en onrustig door elkaar pratend, gloeiend van hooge koorts. Eindelijk ontwaakte hij uit dien bewusteloozen toestand, als uit een langen, langen droom, zwak, mager en doodsbleek. Met moeite richtte hij zich in zijn bed op, het hoofd steunend op zijn bevenden arm en zag verwonderd om zich heen.

«Waar ben ik? Bij wien ben ik gebracht?» vroeg hij. «Dit is niet de plek, waar ik me te slapen gelegd heb.»

Bijna fluisterend deed hij deze vragen, omdat hij zich onbeschrijfelijk afgemat en ellendig voelde, maar toch werden zij aanstonds verstaan, want vlug werden de bedgordijnen terzijde geschoven en zag Olivier een zeer net en zindelijk gekleede, lieve, oude vrouw van haar stoel naast zijn bed opstaan, waarop zij stil met haar handwerk .gezeten was.

«Stil, stil, mijn jongen,» zei ze zacht; «je moet rustig blijven liggen, anders zou je weer ziek worden — je bent

Sluiten